Publication / Algemeen recht

Mensrecht?!

Mensrecht?!

8-04-2017

Over mensenrechten is de afgelopen tijd veel te doen geweest. Zo stond het recht op periodiek te houden verkiezingen, gegarandeerd door een van de protocollen bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), centraal bij een voorlopige voorziening die verzocht werd bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In de rechtszaal en in de media stond het recht van vrijheid van meningsuiting van een burger en schrijver van opiniestukken lijnrecht tegenover het recht van een advocatenkantoor op de bescherming van haar privacy en haar recht haar naam niet besmeurd te hebben worden. Ook deze rechten worden over en weer gegarandeerd door het EVRM. Mensenrechten gelden namelijk voor mensen van vlees en bloed maar ook voor rechtspersonen. Rechtspersonen worden voldoende geduid in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Maar wie of wat wordt door het recht nou als mens beschouwd? Kortom tijd om eens onder de loep te leggen: mensrecht?!

Voor het begin en het einde van het mens-zijn in het recht ligt voor de hand aansluiting te zoeken bij de leer van de biologie en de natuur en als startpunt te hanteren de geboorte en als eindpunt het overlijden van een persoon. Maar zo voor de hand liggend is het uiteraard niet in het recht. Het recht beschouwt namelijk het mens-zijn veel ruimer dan slechts de periode tussen geboorte en overlijden.Zo bepaalt artikel 1:2 BW dat het kind, waarvan een vrouw zwanger is, als reeds geboren wordt aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dat vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan. 

Uit dit artikel wordt duidelijk dat de natuurlijke persoonlijkheid, zeg maar het mens-zijn, ontstaat door de geboorte, maar dan slechts indien het kind levend ter wereld komt. Het kind wordt in ieder geval dan drager van rechten en plichten. Het artikel beschermt echter ook de belangen van het ongeboren kind. In het algemeen wordt aangenomen dat het begrip ‘belang’ ziet op vermogensrechtelijke aangelegenheden. Daarbij wordt doorgaans als eerste gedacht aan een eventuele erfenis en de daaruit voorvloeiende rechten van het ongeboren kind als erfgenaam. Het ongeboren kind deelt in de erfenis als ware het al geboren.

In de rechtsliteratuur wordt door sommige auteurs verdedigd dat het belang in voormelde zin slechts op vermogensrechtelijke belangen van het ongeboren kind kan slaan. Een oude uitspraak van de rechtbank Haarlem lijkt echter het tegendeel te suggereren [RB Haarlem 14 oktober 1966, NJ 1967, 266]. De kwestie die ter beslechting voorlag betrof een zwangere vrouw die een voorschot uit een erfenis in het medisch belang van het kind vorderde. Zij wilde namelijk met het voorschot de ziekenhuiskosten van haar aanstaande bevalling betalen, om zo een voorspoedige geboorte aan het kind te kunnen geven. De rechtbank oordeelde dat een voorspoedige geboorte van het kind kan worden gezien als een belang als bedoeld in artikel 1:2 BW. Op grond van datzelfde artikel is het overigens ook mogelijk kinderbeschermingsmaatregelen ten behoeve van het ongeboren kind op te leggen. Bij herhaling is door kinderrechters geoordeeld dat ongeboren kinderen (voorlopig) onder toezicht kunnen worden gesteld [ECLI:NL:RBUTR:2004:AQ9858 en ECLI:NL:RBMAA:2012:BW5222].  Voorts is het in beginsel mogelijk om voor een ongeboren kind een geneeskundige overeenkomst aan te gaan [ECLI:NL:HR:2005:AR5213].

Gesteld kan dan ook worden dat voorafgaand aan de geboorte voor het recht het mens-zijn een aanvang neemt. Ten aanzien van het einde van het mens-zijn lijkt het moment van overlijden, dus letterlijk het stoppen met leven, onverkort doorslaggevend.
 
In voorbije tijden bestond de rechtsfiguur van de ‘burgerlijke dood’ of wel op z’n Frans: ‘la mort civile’, waarbij een persoon alhoewel biologisch gezien nog springlevend, door het recht als het ware doodverklaard werd bij wijze van strafrechtelijke maatregel. Het belangrijkste gevolg van de burgerlijke dood was dat de onfortuinlijke van rechtswege al zijn goederen verloor. Gelukkig bestaat deze wijze van bestraffing niet meer!

Hiervoor werd gerefereerd aan het moment van overlijden maar dat moment is niet altijd even eenvoudig vast te stellen, terwijl voorts in bepaalde gevallen nog de juridische fictie van overlijden bestaat eerst op het moment dat het overlijden door een arts is vastgesteld.

In artikel 1:412 BW en verder is een voorziening getroffen voor het geval dat iemands bestaan onzeker is, met andere woorden in geval er getwijfeld wordt of een persoon nog wel in leven is. In dergelijke gevallen kan door de rechter in een beschikking het ‘rechtsvermoeden van overlijden’ worden uitgesproken en treden de erfrechtelijke gevolgen van het vermoeden van overlijden van de erflater in werking. Onder bepaalde - strenger geformuleerde - omstandigheden kan zelfs, op grond van artikel 1:426 BW en verder de rechter in een beschikking bepalen dat een persoon is overleden. Dat zal het geval zijn indien het lichaam van de persoon niet is gevonden maar, alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn overlijden als zeker gezien kan worden. Denkbaar is bijvoorbeeld dat iemand hier met een jacht vertrekt en na een zware storm niets meer vernomen wordt van de persoon maar na enige tijd wel wrakstukken van het jacht aanspoelen. In beide gevallen geldt echter dat het recht bepaalt dat er rechtsvermoeden van overlijden of dat een persoon overleden is zonder dat onomstotelijk vast staat dat de persoon in kwestie daadwerkelijk - biologisch gezien - ook echt aan het einde van zijn leven is gekomen.

Een soortgelijke fictie wordt gehanteerd bij niet-natuurlijk overlijden van een persoon, ofwel overlijden door een externe oorzaak. Te denken valt aan overlijden als gevolg van een ongeluk of door geweld. In dergelijke gevallen wordt de persoon geacht overleden te zijn op het moment dat een arts het overlijden vast stelt terwijl er tussen het overlijden sec en het vaststellen daarvan door de arts uren of dagen kunnen zitten. In het recht geldt echter de door de arts gehanteerde datum en het tijdstip.

Ach, geachte lezer, zo zou ik nog door kunnen gaan met het verschil tussen biologisch leven en dood en de benadering en nadere invulling van het mens-zijn door het recht. Laten we het er maar op houden dat mensrecht vooralsnog in mijn gedachten leeft - en nu dus de uwe - en dat de invulling van het recht van het mens-zijn uit praktische overwegingen is ingegeven omdat recht - net als mensenrechten - ook vooral praktisch moet zijn!

Algemeen recht Publications

Read more publications