Publication / Algemeen recht

Bordjesrecht?!

Bordjesrecht?!

28-01-2012

Zoals u wellicht weet is met ingang van 15 november 2011 een compleet nieuw Wetboek van Strafrecht ingevoerd in Curacao. Door middel van een brochure die huis aan huis werd bezorgd maar ook voorlichtingsbijeenkomsten in verschillende settings zijn de invoering van het nieuwe wetboek en de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het oude wetboek aan de gemeenschap kenbaar gemaakt.

Zoals te doen gebruikelijk wordt bij moderne wetgeving door de wetgever stilgestaan bij de financiële gevolgen van de invoering van de wet in dit geval dus de invoering van het Wetboek van Strafrecht. De door de wetgever genoemde financiële gevolgen betreffen echter veelal financiële gevolgen voor de overheid. Aan de orde komen dus niet de financiële gevolgen van de invoering van het wetboek voor particulieren en ondernemers.

Het nieuwe wetboek bestaat uit bijkans 700 artikelen. Zonder enige twijfel is het meest bekende artikel in het Wetboek van Strafrecht het artikel dat het strafbaar stelt om zich onuitgenodigd te (blijven) vertoeven op een perceel van een ander. U kunt zich vast in uw omgeving minimaal één bordje herinneren met de tekst
‘Verboden toegang
artikel 483 Wetboek van Strafrecht’


Dat bordje dient ertoe aan derden kenbaar te maken dat hun aanwezigheid op uw grond niet gewenst is. Hetgeen beoogd wordt met dit artikel is dat de rechthebbende op een terrein zelf mag bepalen wie zijn terrein betreedt.  Het is niet vereist dat de rechthebbende ook eigenaar is van het terrein. Op grond van een hele oude uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 1890 is het voor het stellen van en verbod voldoende dat iemand ‘de grond in gebruik heeft en daarop zodanige daden van gebruik en beheer uitoefent en waarmee hij zo handelt dat naar spraakgebruik die grond aan hem toebehoort’. In die zin oordeelde de Hoge Raad in 1929 dat ook een erfpachter als rechthebbende in voormelde zin kan worden aangemerkt.

Voorwaarde voor de strafbaarheid van de dader is dat de rechthebbende op voor de dader blijkbare wijze de toegang tot het terrein heeft verboden. De wet geeft echter niet aan op welke wijze het verbod kenbaar gemaakt moet worden. Een mondeling verbod is dus ook rechtsgeldig en een verbod gericht tegen een bepaald persoon is ook, net als een verbod gericht op bepaalde categorieën van personen, bijvoorbeeld (brom)fietsers. Bij uitspraak van de Hoge Raad van 29 oktober 1934 werd het hiervoor aangeduide fameuze bordje als voldoende duidelijk verbod aangemerkt.

Met de invoering van het nieuw wetboek zijn alle artikelen omgenummerd. Het oude artikel 483 bestaat niet meer. De bepaling die het verbod op toegang tot een terrein regelt is nu vervat in artikel 3:59 van het Wetboek van Strafrecht.

Alhoewel de toevoeging van het artikelnummer op de bordjes met ‘verboden toegang’ strikt juridisch genomen niet nodig is, kan ik mij zo voorstellen dat u toch een ‘up to date’ verbodsbordje wil hebben staan. De juiste bewoording zou dan nu moeten zijn:
Verboden toegang
op grond van artikel 3:59 Wetboek van Strafrecht

Helaas zijn dus deze financiële gevolgen van de invoering van het nieuw wetboek voor u en draait u dus zelf op voor de kosten van het (laten) maken van een nieuw bordje!

Algemeen recht Publications

Read more publications