Publication / Algemeen recht

Liefdesrecht?!

Liefdesrecht?!

3-04-2013

Over mijn liefde voor het recht kan intussen bij u als lezer mijns inziens geen twijfel meer bestaan. Maar de vraag of er ook zo iets als ‘recht op liefde’ bestaat, gaf mij toch reden tot peinzen over de correlatie tussen recht en liefde.

Bij het nadenken over de relatie tussen recht en liefde is het meest voor de hand liggend te kijken naar de huwelijkse relatie die, behalve de doorgaans vanzelfsprekende wederzijdse liefde tussen ouder en kind, als ultieme bekroning van de liefde wordt gezien. Wettelijk gezien komt u er echter bekaaid van af. Al geruime tijd bepaalt ons Burgerlijk Wetboek [BW] het huwelijk slechts te beschouwen in de zin van de ‘burgerlijke betrekkingen’ [art. 75 BW oud en art. 1:30 BW] en zijn echtelieden elkander ‘getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd’ en ‘verplicht elkaar het nodige te verschaffen’ [art. 152 BW oud en art. 1:81 BW].  De in 1819 door de Nederlandse wetgever voorgestelde tekst dat onder het huwelijk wordt verstaan ‘de verbintenis tusschen man en vrouw, gegrond op de natuur, en bevestigd door het burgerlijk regt, ten oogmerk hebbende om altijd met elkander in de nauwste gemeenschap te leven’ sneuvelde in het wetgevingsproces en nog heden ten dage duidt de wet slechts op het huwelijk voor zover het betreft de burgerlijke betrekkingen. Aldus staat huwelijk in wettelijke zin los van religieuze, culturele, morele en andere aspecten.

Als vereisten om een huwelijk aan te gaan of de verplichtingen die het huwelijk tot stand brengt, gelden uitdrukkelijk niet het elkaar liefhebben. Anders gezegd: liefde is - wettelijk gezien - een vereiste voor noch een verplichting volgend uit het huwelijk.

Als voor het aangaan van het huwelijk het bestaan van liefde niet van belang is, kan logischerwijs de afwezigheid van liefde geen grond zijn voor het beëindigen van het huwelijk. Sinds 2001 geldt als enige echtscheidingsgrond ‘duurzame ontwrichting’. Voordien golden er meerdere echtscheidingsgronden, waarvan ‘overspel’ de belangrijkste was. In geval dat laatste niet bewezen kon worden, kon onder het oude recht scheiding van tafel en bed verzocht worden. Een treffend voorbeeld daarvan ontleen ik aan de uitspraak van het Hof van Justitie van 27 februari 1973 [Antilliaans Juristenblad, vierde kwartaal 1973, p. 994-998]. Het Hof oordeelt in hoger beroep dat de rechter in eerste aanleg terecht constateerde dat overspel niet bewezen kon worden geacht op de enkele grond dat - weliswaar geschraagd door twee getuigen - ‘dat de man zijn auto meermalen geparkeerd stond bij een door vrouwen bewoond huis, doch is zulks uiteraard volstrekt onvoldoende om door de man gepleegd overspel daaruit af te leiden’. De door de vrouw gevorderde echtscheiding werd afgewezen. Wel werd bekeken of er voldoende gronden waren voor een scheiding van tafel en bed. Daartoe overwoog het Hof het volgende: ‘[…] uit de afgelegde verklaringen kan worden afgeleid, dat de man de vrouw veelvuldig (zoon 1: dagelijks, zoon 2: bijna dagelijks, dochter: regelmatig) uitschold woorden bezigend als ‘puta’, ‘conjo’ en ‘pendew’ al welke woorden door elk van de getuigen/gezinsleden van partijen als grof beledigend zijn ervaren. Voorts heeft elk van de getuigen bevestigd dat deze grove beledigingen niet op zich zelf staande uitingen waren, doch moeten worden gezien in een door de mand jegens de vrouw aangenomen gedragspatroon van: onwelwillendheid, gebrek aan belangstelling en afwezigheid van bereidheid tot normale communicatie, welk gedragspatroon door de vrouw is omschreven als ‘totaal geen aandacht schenken aan’, hetgeen bewezen is te achten’.

In een uitspraak van 16 maart 1983 oordeelde het Gerecht in eerste aanleg van Aruba [Justicia, vierde kwartaal 1982, p. 170-171]  dat het verzoek van de man tot echtscheiding kon worden toegewezen omdat ‘partijen reeds omstreeks dertig jaren uiteen wonen, zonder dat er van enig contact tussen hen is gebleken’.
Het structureel beledigen van je echtgenote of de langdurige afwezigheid van enig contact tussen de echtelieden hebben op zich in strikt juridische zin niets van doen met het al dan niet bestaan van liefde tussen de echtelieden. Het heeft er toch alle schijn van dat al onder het oude recht de rechter bij tijd en wijle het slechts beschouwen van het huwelijk in haar burgerlijke betrekkingen oprekte en oogluikend - zonder het woord ‘liefde’ in de mond te nemen - aan de ogenschijnlijke volstrekte afwezigheid daarvan, terecht(e) conclusies verbond!

Neen, ik denk niet dat er in het recht iets als een ‘recht op liefde’ bestaat, maar dat het recht niet zal obstrueren de weg naar liefde te openen door de mogelijkheid te bieden een gepast einde te maken aan een liefdeloze huwelijkse relatie. Tegenwoordig is het stellen dat het huwelijk duurzaam ontwricht is voldoende, met of zonder vermelding van het bestaan (hebben) van al dan niet wederzijdse liefde!

Algemeen recht Publications

Read more publications