PUBLICATIES

 

Grenzen Aan Persvrijheid

mr Gerrit J. Scheper

Vrijheid van meningsuiting versus recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven en het portretrecht

De vrijheid van meningsuiting, als vastgelegd in artikel 7 van de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden [GW] en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [EVRM], dient te worden beschouwd als de hoeksteen van een vrije democratie. De pers moet niet alleen die informatie opsporen om misstanden bloot te leggen, maar ook heeft zij de plicht informatie, ook als die schokkend is, door te geven. De vrijheid van meningsuiting houdt in dat een ieder het recht heeft meningen en feitelijke informatie naar buiten te brengen en te ontvangen.

Recht op eerbiediging

De bescherming van de vrijheid van meningsuiting is echter niet absoluut; mits aan zekere voorwaarden is voldaan als beschreven in artikel 10 lid 2 EVRM, kan zij worden beperkt. De wettelijke verankering van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is op haar beurt onder meer vastgelegd in artikel 10 GW en artikel 8 EVRM, namelijk recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven. Tussen deze twee grondrechten bestaat geen rangorde. Uit artikel 10 lid 2 EVRM volgt dat het beperken van de vrijheid van meningsuiting enkel mogelijk is, als zulks in een democratische samenleving noodzakelijk is. De noodzakelijkheidstoets komt in essentie erop neer dat wordt afgewogen aan welk belang de doorslag behoort te worden gegeven. Het belang dat met die beperking wordt gediend of het met de vrijheid van meningsuiting gediende belang. Of een beperking noodzakelijk is in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM wordt getoetst aan drie vereisten (i) of voor de beperking een dringende maatschappelijke behoefte bestaat, (ii) of de beperking evenredig is aan het te beschermen belang en (iii) of de gronden om de beperking te rechtvaardigen relevant en toereikend zijn. Het belang van de vrijheid van meningsuiting weegt het Europese Hof [in ons systeem het hoogste rechtsorgaan] zwaar, zeker als de media zich erop beroepen. Van een beperking kan immers een ‘chilling effect’ uitgaan op het handelen van de media, waardoor zij niet goed hun – zo belangrijke – rol als ‘waakhond van de maatschappij’ kunnen vervullen. Ook mededelingen die choqueren, grieven of verontrusten worden in beginsel beschermd.

Onderscheid belangen

Voor wat betreft de methode van berichtgeving genieten de media een grote vrijheid. Tegenover de vrijheid van meningsuiting staan de belangen van de benadeelde, te weten het (fundamentele) recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en reputatie. De belangen wegen eveneens zwaar, zij het dat hier ook een onderscheid dient te worden gemaakt naar de mate waarin de belangen worden geschonden. Met oog op dit laatste lijkt het onder andere voor de hand te liggen een onderscheid te maken tussen openbaarmakingen waarmee een serieus publiek belang wordt gediend, en openbaarmakingen die (slechts) beogen te amuseren.

Vrijheid en redelijk belang

Samengevat kan worden geconcludeerd dat er geen eenduidig antwoord valt te geven op de vraag waar de grens tussen persvrijheid en vrijheid van meningsuiting ligt. Er zal een belangenafweging dienen plaats te vinden tussen de vrijheid van meningsuiting versus het recht op privé-leven om uit te maken of de pers haar grenzen heeft overschreden. Het Europese Hof beschouwt de vrijheid van meningsuiting als hoeksteen van de vrije democratie. Die vrijheid houdt ook in dat de pers informatie mag overbrengen die de burgers schokt en in verwarring brengt. Burgers hebben er recht op daarvan kennis te nemen. Echter, een geportretteerde kan zich tegen publicatie verzetten als hij daarbij een redelijk belang heeft. Wat dit redelijk belang is, zal van geval tot geval bekeken dienen te worden.

Portretrecht

De regels van het portretrecht zijn geregeld in de artikelen 19 tot en met 21 van de Auteursverordening [Av].
Portretten van (tragisch) omgekomen personen danwel (ernstige) gewonden, waarbij niet wordt geschroomd om bloederige afbeeldingen openbaar te maken, ‘sieren’ de voorpagina van vele kranten. Hoewel de regels waar persfotografen bij plekken van ongevallen en/of misdrijven zich aan moeten houden kennelijk vastgelegd schijnen te zijn bij de vereniging voor journalisten, moet worden vastgesteld dat deze regels met de voeten worden getreden. (Het kunnen bemachtigen van de voormelde regels voor journalisten, is ondergetekende helaas niet gelukt, ondanks de nodige toezeggingen daaromtrent.) Het plaatsen van (bloederige) foto’s van slachtoffers prominent in de media, behoort niet te kunnen zonder de voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van de geportretteerde dan wel diens nabestaanden. Betreurenswaardig is om te moeten vaststellen dat mensen vaak niet bij machte zijn, financieel niet in staat blijken te zijn en/of door het verwerkingsproces van het veroorzaakte leed en/of het verlies niet de (psychische) ruimte hebben, om zich te verzetten tegen het plaatsen van foto’s zonder hun toestemming. Het handelen van sommige persfotografen is in bedoelde gevallen onaanvaardbaar en dient dan ook in dergelijke gevallen aan banden te worden gelegd. Als conclusie kan dan ook luiden dat wegens de omstandigheden rondom een traumatisch geval, men kennelijk onvoldoende gebruik maakt van de bestaande regelgeving en dat mede daardoor dit maatschappelijk onacceptabel fenomeen zich (ongesanctioneerd) kan blijven voortzetten. Dit met alle nadelige persoonlijke gevolgen van dien.

De geportretteerde

Voor een juist begrip van het portretrecht zal ik eerst vermelden wat in de wet nu eigenlijk precies onder ‘portret’ wordt verstaan. Volgens de Memorie van Toelichting [MvT] is hieronder te verstaan ‘een afbeelding van het gelaat van een persoon, met of zonder verdere lichaamsdelen, op welke wijze dan ook vervaardigd’. In artikel 21 van de Auteursverordening worden vervolgens besproken de portretten die niet in opdracht zijn gemaakt. Dit artikel houdt een bescherming in voor de geportretteerde. Via een wettelijke zorgvuldigheidsnorm wordt een vergaande aanspraak gegeven tegen publicatie van portretten. Het artikel luidt: “Is een portret vervaardigd zonder daartoe strekkende opdracht, de maker door of vanwege de geportretteerde, of te diens behoeve, gegeven, dan is openbaarmaking daarvan door degene, wiens auteursrecht daarop toekomt, niet geoorloofd, voor zover een redelijk belang van de geportretteerde of, na zijn overlijden, van een zijner nabestaanden zich tegen die openbaarmaking verzet.”. Hierbij is van belang dat er niet geposeerd hoeft te zijn. Het portretbegrip is in de loop der jaren door de jurisprudentie (gerechtelijke uitspraken) nader ingevuld. In het verleden hanteerde de Hoge Raad een strikte uitleg: er was geen sprake van een portret, als er een afbeelding zonder overeenstemming met gelaatstrekken was. Deze strikte uitleg werd verlaten in het ‘Naturistenarrest’. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat de afbeelding van het gehele gelaat geen vereiste is. Ook hoeft de geportretteerde niet meer onmiddellijk herkenbaar te zijn. Na dit arrest, wijst de Hoge Raad een nog verdergaande uitspraak: in het ‘Breekijzerarrest’ wordt het ‘associatiebeginsel’ aanvaard. ‘Het geheel of gedeeltelijk onherkenbaar maken van het gelaat van een afgebeelde persoon hoeft  niet uit te sluiten dat er sprake is van een portret in de zin van artikel 21 van de Auteurswet [Nederland], nu ook uit hetgeen de afbeelding toont, de identiteit van die persoon kan blijken, en dat derhalve openbaarmaking van een dergelijke afbeelding aan de hand van deze bepaling kan worden verboden.’ Als de afgebeelde persoon de publicatie van zijn portret wil verbieden, moet er sprake zijn van een ‘redelijk belang’ van zijn kant. De aanwezigheid van ‘een’ redelijk (in de zin niet onredelijk) belang aan de zijde van de geportretteerde is hiervoor niet voldoende. De rechter zal een belangenafweging moeten maken, waarbij rekening gehouden moet worden met het recht op privacy (art. 8 EVRM) enerzijds en de vrijheid van meningsuiting en de pers- of informatievrijheid (art. 10 EVRM) anderzijds.

“Als de afgebeelde persoon de publicatie van zijn portret wil verbieden, moet er sprake zijn van een ‘redelijk belang’ van zijn kant”

Privacy
Privacy-overwegingen of commerciële belangen vormen de belangrijkste gronden voor verzet. Andere subgronden die een redelijk belang kunnen opleveren zijn: gevaar voor represailles tegen de geportretteerde, bespotting of belediging van een persoon, het belang van resocialisatie van iemand, en wanneer het portret de associatie van een publieke aanbeveling oproept, waar de afgebeelde persoon niet achter staat. In de loop der jaren is de beschermingsomvang van de geportretteerde uitgebreid. Dit zal ik aan de hand van een aantal geruchtmakende zaken illustreren:

“Wastelandparty-uitspraak”

(Rechtbank Amsterdam, 10 juli 1996) In Amsterdam is door twee bekende Amsterdamse discotheken een feest georganiseerd: de Wastelandparty. Tussen de twee disco’s is een loopbrug gemaakt, welke de tegenoverliggende panden met elkaar verbindt. Op die loopbrug slaat een vrouw één been over de reling, waarbij haar jurk openvalt. Zij heeft hier niets onder aan. Alsof dat niet voldoende is, knielt voor haar een man die haar (klaarblijkelijk) van orale sex bedient. Zonder dat zij het weten worden ze gefotografeerd. Een half jaar later komt het zoontje van de vrouw thuis van school met de mededeling: ‘Mama, je staat in de Nieuwe Revu’. De foto blijkt paginagroot te zijn afgedrukt bij een artikel met als opschrift: ‘Sex – het jaar waarin alles kan’. De vrouw is uiteraard niet blij met de publicatie van haar foto. Ze voert aan dat zij zich veilig voelde in de beschermde omgeving van het ‘besloten feest’. De schade die zij heeft geleden bestaat uit het feit dat haar partner haar heeft verlaten, de relatie met familie en vrienden onder vuur is komen te liggen en haar zoontje op school er ernstig onder te lijden heeft. Het blad Nieuwe Revu stelt echter dat bij deze foto geen sprake is van een portret, omdat het gelaat van de vrouw niet te zien is (daar zij schuin van achteren is gefotografeerd) en zij niet herkenbaar in beeld is gebracht. Volgens het blad kan er geen sprake zijn van schending van de privacy, omdat de foto op de openbare weg is genomen. De vrouw is volgens hen ‘vrijwillig in de openbaarheid getreden’. Als laatste stelt de Nieuwe Revu dat deze foto valt onder de persvrijheid. Het is de taak van de media om de maatschappij te informeren over wat er in de samenleving aan de hand is, en zo bij te dragen aan het openbare debat in de maatschappij. Zij dienen een algemeen belang, zo stelt het blad. De rechtbank dacht hier anders over. Zij meent dat er wel sprake is van een portret, omdat voor een portret de geportretteerde niet onmiddellijk herkenbaar hoeft te zijn. Het afbeelden van het gehele gelaat is ook geen vereiste. Herkenbaarheid voor een enkeling is voldoende. Na afweging van alle omstandigheden van het geval, oordeelt de rechtbank dat foto’s van intimiteiten, waar ook gemaakt (zelfs op de openbare weg), niet door de beugel kunnen. De vrouw heeft derhalve een redelijk belang tot het inroepen van het verbod op publicatie van haar foto.

“Herkenbaarheid voor een enkeling is voldoende”

“Discodanser-arrest”

(Hoge Raad, 2 mei 1997) In de Amsterdamse disco de ‘iT’ staat een jongen met ontbloot bovenlijf te dansen. Met een dansgroepje geeft hij een soort optreden, waarvan foto’s worden gemaakt. Deze foto’s worden later gebruikt voor een reclamefolder met het opschrift: ‘Mooi bloot gezocht voor Toplessparty’. De folder komt tevens in zijn geheel als advertentie op de achterpagina van de Gay Krant. De jongen wordt door bekenden in zijn omgeving in verband gebracht met de homobeweging en homoparty’s, waar hij (als hetero-zijnde) bezwaar tegen heeft. De Hoge Raad oordeelde dat de jongen een redelijk belang had om het verbod tot publicatie in te roepen. Zij bepaalde dat in beginsel iedereen steeds een redelijk belang heeft om zich te verzetten tegen het gebruik van zijn portret voor reclamedoeleinden. In dit arrest stond ook de ‘associatie’ centraal. Het feit dat de geportretteerde niet achter het product/dienst staat waar de afbeelding wel de associatie van een publieke aanbeveling van die persoon wekt, levert een redelijk belang op om hiertegen in opstand te komen. Hiervoor is niet vereist dat het publiek denkt dat de geportretteerde medewerking heeft verleend aan de reclame.

Auteursverordening

Andere interessante jurisprudentie inzake het portretrecht is de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 2004. Het betrof hier het ophangen van een foto van een 79-jarige vrouw die door de winkelier via videobewaking was betrapt op het stelen van een tijdschrift. De foto van de vrouw werd opgehangen in de winkel met het onderschrift: “Deze vrouw heeft hier gestolen”. De vrouw had geen toestemming gegeven tot openbaarmaking van de foto. De rechter heeft een afweging gemaakt tussen het belang van de vrouw en het belang van de winkelier. De vrouw heeft een redelijk belang dat zich tegen openbaarmaking verzet, namelijk het diffamerende en stigmatiserende effect dat van een foto en het onderschrift uitgaat. Het ophangen van een foto van de vrouw is in beginsel in strijd met artikel 21 Auteursverordening, tenzij het belang van de winkelier zwaarder weegt. De winkelier heeft als zijn belang aangevoerd de bescherming van zijn eigendom, het algemeen belang en het recht op vrijheid van meningsuiting. De belangenafweging is in het nadeel uitgevallen van de winkelier en de actie werd als onrechtmatig aangemerkt.

Desperate blondines

Tot slot een uitspraak van de Raad voor de Journalistiek van 24 februari 2003. Een fotograaf van het bekende blad Quote heeft met toestemming van twee dames foto’s gemaakt voor het blad. Er is toen echter niet bij verteld dat het onderschrift zou gaan luiden: “Twee desperate blondines: ‘We hebben altijd nog de fles rosé’”. Klaagster maakt bezwaar tegen het onderschrift. Ze runt met succes haar eigen bedrijf en is zeker niet desperate. Lezers, waaronder mogelijke klanten van klaagster, kunnen ten onrechte de indruk krijgen dat ze een alcoholist is. Verweerders stellen dat zij nooit de bedoeling hebben gehad klaagster in een slecht daglicht te plaatsen. De Raad oordeelde dat de publicatie blijk geeft van onzorgvuldig handelen en dat verweerder (Quote) met de publicatie de grenzen heeft overschreden van wat maatschappelijk aanvaardbaar is.

Sensatie

Deze voorbeelden van gewezen uitspraken zijn essentieel in dit door mij geschreven artikel, daar gebleken is dat op de vraag waar de grens van de persvrijheid respectievelijk vrijheid van meningsuiting ligt, niet eenduidig antwoord valt te geven. Door deze spraakmakende en/of interessante uitspraken dient een rode lijn te worden gevonden ter zake het toelaatbare. Daarbij zijn deze voorbeelden tevens bedoeld om er over in een maatschappelijk gezonde discussie te gaan. Op Curaçao is het niet ongebruikelijk dat na een (auto) ongeval er foto’s van de verongelukte mensen (al dan niet overleden) in de krant komen te staan. Hierop is meestal duidelijk te zien om wie het gaat. Het publiceren van een (bloederige) foto van een ten gevolge van een ongeval zwaar gewonde persoon en/of verongelukte persoon en/of een doodgeschoten persoon kan volgens mij niet anders worden gekwalificeerd dan sensatie, daar deze foto geen enkel informatief doeleinde dient. Het enkel schriftelijk weergeven van de feiten in een artikel zou het informatieve doeleinde immers al in voldoende mate dienen. Anders zou het zijn als door betrokkenen daartoe expliciet toestemming is verleend. Naar mijn mening is vaak genoeg sprake van gevallen waarbij een ‘redelijk belang’ van bijvoorbeeld de verongelukte dan wel zijn nabestaanden speelt om de bescherming van het portretrecht in te roepen en zich te verzetten tegen publicatie. Beoogd wordt de locale media in voldoende mate te prikkelen zich aan de (zorgvuldigheids)normen te houden.

“Een bloederige foto kan volgens mij niet anders worden gekwalificeerd dan sensatie, daar deze foto geen enkel informatief doeleinde dient”

Conclusie

Concluderend, dienen de belanghebbenden eigen initiatief te tonen door bijvoorbeeld een door hen als kwetsend ervaren persoonlijk geval bij de rechter ter beoordeling voor te leggen en dienen de rechters met behulp van de aan hen verstrekte ruimere beoordelingsvrijheid meer in hun overweging te betrekken de aanhoudende roep vanuit de maatschappij om een betere regulering van de grenzen tot waarborging van het toelaatbare en zo het eventueel ontoelaatbaar gebruik van het medium op een verantwoordelijke wijze te beperken. Het laatstgemelde overigens zonder in enig opzicht tekort te willen doen aan de belangrijke rol van de pers, zijnde ‘waakhond van de maatschappij’. Uiteraard kunnen ook de wetgever (volksvertegenwoordigers) en de vereniging van de pers uit zichzelf bijdragen aan een gezonde regelgeving ter zake de te hanteren journalistieke normen en aldus aan de inhoud van een artikel en de manier van berichtgeving.

Let wel, naar mijn persoonlijke mening dient te allen tijde centraal te blijven staan dat vrijheid van meningsuiting respectievelijk persvrijheid als hoeksteen van een vrije democratie dienen te worden beschouwd. Onnodig belemmeren dan wel beperken van deze fundamentele rechten is niet aanvaardbaar. Leed van de een kan ofwel mag nooit vermaak van een ander worden. Ook niet uit commercieel oogpunt. Ook U vormt de maatschappij en dient te waken over haar gesteldheid.

Small Murray Scheper, advocaten
Rozenweg nummer 4
Mahaai, Curaçao
Telefoonnummer: 738 02 80
Fax nummer: 738 02 81
Email: scheper@sms-advocaten.com

<< Terug

 

 
  Algemeen | Ons Team | Praktijk | Publicaties | Nieuws | Links | Algemene Voorwaarden | Contact