Publication / Nieuws

Terugblikken op een vooruitziende blik

Terugblikken op een vooruitziende blik

22-08-2014

Allereerst mijn felicitaties aan de Jonge Balie Curacao met haar veertig jarig bestaan. Het is voor mij een grote eer om vandaag dinsdag 22 augustus 2034 voor u te mogen staan en, net als twintig jaar geleden ter gelegenheid van feestelijkheden destijds rondom het twintig jarig bestaan, u te mogen toespreken. Het twintig jarig bestaan van de Jonge Balie Curacao in 2014 staat in mijn geheugen gegrift al is het maar omdat, anders dan anders, de viering plaatsvond in een restaurant genaamd Ginger in het zich oogluikend ontwikkelende Pietermaai en de band Dolce zorgde voor Caribische vrolijkheid. De toenmalige voorzitter, mevrouw mr Suhendra Leon, advocate verbonden aan SMS Attorneys at Law, had mij verzocht een korte toespraak te verzorgen. 

Ik herinner mij nog dat mijn zoontje, toen drie jaar, amper vier jaar oud, net naar de basisschool ging. Vandaag de dag is hij afgestudeerd als arts en is ie ‘Arts in Opleiding Cardiologie’ in het Bob Pinedo Hospitaal in Otrobanda dat acht jaar geleden in 2026 eindelijk de deuren opende en de eerste patiënt mocht verwelkomen. 

In 2014 waagde ik mij tijdens mijn toespraak aan wat voorspellingen over hoe het recht op Curacao er nu, twintig jaar later, zou uitzien. Ik vermoed dat dat ook de reden is dat ik gevraagd ben om vandaag weer te spreken. Ja, en uiteraard om te kijken of er iets van mijn voorspellingen is uitgekomen. Ik moet dus letterlijk mezelf de maat nemen en in die zin terugblikken op mijn vooruitziende blik van toen. Mijn toespraak van toen heb ik uiteraard bewaard, zoals ik al mijn toespraken, presentaties en ook publicaties heb bewaard. Het voert binnen de mij ter beschikking gestelde tijd te ver om letterlijk mijn speech van toen voor te dragen maar enkele van de highlights daaruit kan ik u uiteraard niet onthouden bij de toets die ik mijzelf nu moet afnemen. Trouwens, ook toen in 2014 werd mij op het hart gedrukt dat zich ook niet-juristen in het gehoor bevonden en dat ik er goed aan deed om juridische terminologie en dito jargon te vermijden, maar ik voorzie al dat ik, evenmin als toen, daar niet helemaal in zal slagen.

In 2014 liet ik mijn vooruitziende blik - althans zo noemde ik die blik toen en of dat terecht was of niet bespreek ik zo - los op drie onderwerpen die met het recht te maken hebben, te weten de advocatuur, de rechtspraak en de wetgeving.

Advocatuur
Ik voorzag toen dat het aantal advocaten op Curacao in 2034 zou verdubbelen tot een kleine 350. Op een te verwaarlozen tien procent verschil zat ik ernaast nu de balie op Curacao anno 2034 uit maar liefst 386 advocaten bestaat. Het door mij eveneens voorziene verplichte lidmaatschap van de Orde van Advocaten, waarvoor al in 2013 de eerste stappen werden gezet, werd verwezenlijkt in 2019 toen de Advocatenlandsverordening 2019 in werking trad. Voordien was iedere advocaat geheel vrij in het al dan niet toetreden als lid van de vereniging die als naam droeg de ‘Orde van Advocaten Curacao’. In 2014 keek ik al met enige weemoed terug op mijn periode als deken van die Orde in de periode 2001 tot en met 2005 en stond ik stil bij de tot op heden gebruikte advocatenpas die ik - naar Nederlands voorbeeld - toen introduceerde. De vrijwel oneindige technische mogelijkheden die de advocatenpas de hedendaagse advocaat biedt - toegang tot de Gerechtsgebouwen en de Advocatenbibliotheek in het Gerecht, afrekenen in de kantine van het Gerecht etc. -, had ik bij de introductie noch in 2014 voorzien. In 2001 was ik, amper 31 jaar oud, de jongste deken allertijden. Ik voorzag echter niet in 2014 dat dat record zou sneuvelen in 2029.

Ik voorzag wel dat die nieuwe Orde van Advocaten, die de bevoegdheid zou hebben richtlijnen uit te vaardigen waaraan alle advocaten in Curacao gebonden zouden zijn, actief gebruik zou maken van die bevoegdheid. De richtlijnen op het gebied van het beheer van derdengelden, de stageperiode, de verplichte bijscholing (inclusief puntensysteem) en het erop nahouden van een deugdelijke administratie had ik alle voorzien. Niet de richtlijn die sedert 2025 bepaalt dat iedere advocaat op jaarbasis 20 uren geheel pro Deo moet besteden aan juridische dienstverlening aan daarvoor in aanmerking komende en door de Orde aangewezen charitatieve instellingen. Het is begrijpelijk dat de Minister van Justitie destijds geen gebruik maakte van zijn wettelijke bevoegdheid deze van altruïsme blijk gevende richtlijn te vernietigen.

De toenemende mate van (behoefte aan) specialisatie in de advocatuur heb ik destijds ook voorzien. Nieuwe rechtsgebieden als ruimtevaartrecht, gas- en aardoliewinningrecht en beursfrauderecht, maar ook gezien de stroom van Chinese immigranten sedert 2022, het Chinees personen- en famillierecht, eisen van hedendaagse advocaten een verregaande specialisatie en markeert het verschil tussen het drietal grote kantoren - met minimaal 40 advocaten elk - en de kleine(re) kantoren waaronder nog steeds enkele traditionele ‘eenpitters’. De fusie in 2025 tussen Spigt Dutch Caribbean en mijn eigen kantoor SMS Attorneys at Law had ik, naar ik eerlijk moet bekennen, destijds in 2014 niet voorzien. 

Rechtspraak
Een blinde, of toepasselijker gezegd een digibeet, kon in 2014 voorzien dat de digitalisering van de rechtspraak zich zou voortzetten. Toen ik 38 jaar geleden in 1996 als advocaat begon in Curacao streden facsimile, zoals de heden ten dage zelden voorkomende ‘fax’ oorspronkelijk volledig werd aangeduid, en de brief nog om de rol van populairste communicatiemiddel ter zake correspondentie tussen advocatuur en het Gerecht. In 2014 was communiceren met de rechterlijke macht via elektronische post, destijds nog bij voorkeur in het Engels aangeduid als e-mail, volledig in zwang. Op Curacao, haast ik mij te zeggen, aangezien op Aruba in 2014 nog een informeel, zij het rigoreus, algeheel verbod bestond op het elektronisch benaderen van de rechterlijke macht. Ik voorzag toen al dat communicatie zich nog meer zou toespitsen op de elektronische snelweg en dat ook hele procedures zich elektronisch zouden voltrekken. Tussen neus en lippen had het Hof al in 2013 geoordeeld dat een akte van appel (dat is het processtuk waarmee hoger beroep wordt ingesteld tegen een civielrechtelijk vonnis) per email toegezonden kon worden . Destijds gold wel dat een dergelijk processtuk ‘gescand’ moest worden als Portable Document Format, ofwel PDF, bestand, een programma van Adobe Systems dat de ouderen onder u vast nog wel kennen en dat vanaf 2008 gratis beschikbaar was. Toen voorzag ik al dat dat inscannen geen lang leven beschoren zou zijn en dat via de elektronische toegangsportaal van het Gerecht, zoals dat nu in 2034 gaat, op simpele manier kenbaar gemaakt wordt in beroep te komen tegen een beslissing van het Gerecht. 

Ik voorzag dat die elektronische toegangsportaal van het Gerecht ook zodanig ingericht zou zijn dat door middel van het invullen van de relevante gegevens en up loaden van relevante documenten toestemming verkregen kon worden om conservatoir beslag te leggen terwijl daar in 2014 nog voor gold dat papier gebruikt moest worden voorzien van plakzegels. Het uiteindelijk opheffen van die lastige Zegelverordening in 2030 had ik bepaald ook voorzien na de zoveelste tariefsverhoging van de griffiegelden. Dat ook de betaling van die griffiegelden slechts elektronisch zou kunnen was ook voor een leek al te voorzien in 2014.

Alhoewel voorzien, heeft het mij toch verbaasd dat het volledig digitaliseren van de rolzittingen zo lang duurde. In 1996 toen ik als advocaat begon duurde de grote rolzitting, dat is de maandagse zitting van het Gerecht waar een kleine drie- a vierhonderd rechtszaken de revue passeren waarin enige (rechts)actie moet worden ondernomen, onder bezielende leiding van mr Bob Wit al gauw een uur of drie a vier. Ten overstaan van een zaal vol jonge advocaten werden nieuwe zaken afgeroepen, vonnissen uitgesproken, papieren processtukken gewisseld maar ook echtscheidingen uitgesproken met vaak minimaal één achteloos aan hulpeloosheid grenzend, kijkende aanstaande ex-echtgeno(o)t(e). In het besef dat tot 15 januari 2001 ‘overspel’ de belangrijkste echtscheidingsgrond was, kunt u zich voorstellen dat in die tijd niet al te vrolijk de zaal vol jonge advocaten rondgekeken werd door de betrokken echtelieden! 

Ik voorzag ook al in 2014 dat binnen tien jaar nadien de hele fysieke rolzitting zou ophouden te bestaan. In mijn verwachtingen ter zake werd ik niet teleurgesteld toen al in 2018 het Gerecht aankondigde de rolzitting voortaan geheel elektronisch te doen plaatsvinden. Processtukken worden nu in 2034 nog steeds elektronisch via het portaal van het Gerecht ‘ingediend’ en aan de wederpartij toegezonden en ook vonniswijzing, dat nog steeds mensenwerk is, dus meer nog vonnistoezending, geschiedt volkomen elektronisch. Ook de comparitie van partijen en getuigenverhoren vinden elektronisch plaats waarbij de rechter, gezeten in een van de Gerechtsgebouwen, de getuige en/of procespartijen, aanwezig op het kantoor van de advocaat, op afstand en dus virtueel hoort en te woord staat. 

Dat de potsierlijke vertoning van een advocaat gezeten in zwarte toga met witte bef achter zijn bureau in zijn eigen kantoor ertoe zou leiden dat in 2030 de toga werd afgeschaft, had ik in 2014 niet voorzien. In hoeverre het volgende incident daarbij een rol speelde, weet ik niet. Feit is echter, dat ergens in 2028 er een advocate was, die ik maar als ‘mevrouw mr X’ aanduid, die kennelijk gekleed in slechts een enkel stuk schaars bedekkend ondergoed haar toga aandeed terwijl, weliswaar vroegtijdig, de beelden elektronisch werden rondgezonden aan de andere procesdeelnemers in de strafzaak. Aangezien enig ongewenst exhibitionisme haar dus duidelijk niet ontzegd kon worden, is zij al gauw daarna officier van justitie geworden, maar een kniesoor die daarover maalt.

De immer jeugdig ogende huidige President van het Hof, in 2023 gepromoveerd aan de Universiteit van Curacao op het onderwerp ‘Management van Rechtspraak’, dr. Mauritsz de Kort memoreerde tijdens de gebruikelijke feestelijke installatie van nieuwe rechters in september 2033 nog de enorme toevlucht van zaken die via mediation wordt afgedaan buiten het Gerecht om. Mediation is een wijze van geschillenbeslechting door een speciaal daartoe opgeleid persoon die tracht te komen tot de kern van het geschil tussen partijen zodat zij zelf een oplossing kunnen aandragen. Deze toevlucht had ik niet voorzien voornamelijk nu de sedert 2005 bestaande mogelijkheid van doorverwijzing van een zaak door een rechter naar een mediator tot 2014 niet echt aansloeg.

Voorzienbaar voor mij was wel dat een andere manier van geschillenbeslechting wel een stevige opmars zou kennen. Anno 2034 zijn de bindende adviezen van allerlei geschillencommissies niet meer weg te denken. Wie kan er nu zonder de Consumenten Geschillen Autoriteit, CGA voor ingewijden, die op voorspoedige wijze binnen strakke en korte termijnen allerhande geschillen tussen consumenten en leveranciers - soms letterlijk over een volautomatisch elektronisch gestuurde strijkijzer van een paart tientjes - beslecht? En dat ook nog eens zonder advocaten. Ook ten aanzien van advocatendeclaraties laat de Geschillencommissie Advocatuur zich van haar beste zijde zien door adequaat en tot tevredenheid van partijen beslissingen te nemen aangaande de hoogte van declaraties. Overbodig is te zeggen dat ook al deze zaken elektronisch worden afgehandeld.

Ik voorzag in 2014 ook dat de in Amerika gelauwerde discovery proceedings zijn intrede zou doen in ons recht. Veel vaker dan voorheen maken advocaten gebruik van de mogelijkheid om voor de aanvang van een procedure hun procespositie te bepalen en dus uitsluitsel te krijgen of hun cliënt wel een zaak heeft. Het voorlopig getuigenverhoor, dat sedert 2021 ook door een notaris kan worden afgenomen, maar ook het relatief makkelijk via de elektronische portaal van het Gerecht te verkrijgen bevel tot het openleggen van boeken en overhandigen van al dan niet digitale informatie door een procespartij of een derde - voorzien in de (in 2021 speciaal daartoe uitgebreide) artikelen 141 en 142 Rv. -, hebben bijgedragen aan een veel efficiëntere manier van procederen in 2034. 

Sneller dan ik had voorzien werd ook de Caribische Kamer van de Hoge Raad, onze hoogste rechter, ingevoerd. Al in 2020 werd besloten de Hoge Raad der Nederlanden aan te duiden als ‘Hoge Raad van het Koninkrijk der Nederlanden’ ten einde nog meer te benadrukken dat onze hoogste rechter dat ook specifiek voor het Caribisch deel van het Koninkrijk is. Een en ander hand natuurlijk te maken met het feit dat de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State, in Nederland de hoogste bestuursrechter, in datzelfde jaar volledig gefuseerd werd met de Hoge Raad en de Constitutionele Kamer van de Hoge Raad werd ingesteld. De Caribische Kamer, waarvan tot de trotse eerste leden onder meer onze eigen prof. dr. Jan de Boer en dr. Gerard Lewin behoorden, behandelt zaken uit dit deel van het Koninkrijk op het gebied van civielrecht en strafrecht, maar ook - en dat was nieuw - als hoogste bestuursrechter en hoogste belastingrechter . 

Met nog meer trots werd in 2028 bekend gemaakt dat mevrouw mr Eunice Saleh het eerste in het Caribisch deel van het Koninkrijk geboren lid van de Caribische Kamer van de Hoge Raad werd. 

Wetgeving
Op het gebied van wetgeving voorzag ik in 2014 een aanpassing van het huwelijksrecht die met zich bracht dat niet langer automatisch echtelieden in gemeenschap van goederen zouden zijn getrouwd. In 2019 was dit een feit en dienen echtelieden die letterlijk lief en leed willen delen zich tot een notaris te wenden om hun daartoe strekkende afspraken vast te leggen nu het Burgerlijk Wetboek uitgaat van een koude uitsluiting en dus geen vermenging van bezit en schulden.

Op geen enkel moment had ik voorzien dat de wetgever, in diezelfde wetswijziging, het echtscheidingsrecht zou versoepelen waardoor middels een door beide echtelieden ondertekende akte ten overstaan van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand het huwelijk kan worden ontbonden en dus een gang naar de rechter - indien beide partijen zich kunnen vinden in de echtscheiding - niet meer nodig is. 

Ik voorzag - naar nu blijkt ten onrechte - de invoering van het homohuwelijk op Curacao. In navolging van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, doch meer nog op basis van recente uitspraken van het in 2027 voor Curacao van kracht geworden Caribisch Hof voor de Rechten van de Mens dienen op grond van het gelijkheidsbeginsel en het recht op een family life de lokale overheid, pensioeninstellingen, werkgevers en verhuurders wel de rechten te erkennen van elders gehuwden van hetzelfde geslacht. Evenzeer op basis van jurisprudentie is afgedwongen dat ouders van hetzelfde geslacht gezamenlijk gezag kunnen hebben over hun kinderen.

In 2014 was ook te voorzien dat het toezicht vanuit de toen nog Centrale Bank van Curacao en Sint Maarten op banken, verzekeraars, trustkantoren en beleggingsinstellingen en beurzen scherper zou worden. De lappendeken van verschillende wetsteksten werd, vlak voor de scheiding van de Centrale Bank functie voor Curacao en Sint Maarten in 2021, gebreid tot een enkelvoudige deugdelijke toezichtwet met een breed bestuursrechtelijk en strafrechtelijk sanctiearsenaal. Het niet door mij voorziene grote beursschandaal inzake handel met voorkennis in aandelen van een alhier op de beurs geregistreerde overheidsvennootschap in 2019 heeft daartoe ongetwijfeld bijgedragen.

Ik zat er ook naast met de opheffing van de strafbaarstelling van euthanasie. In 2014 was ik er nog van overtuigd dat dat een kwestie van tijd was maar de realiteit leerde dat de invloed van de verschillende religies op Curacao weerbarstiger was dan ik toen kon bevroeden.

Ter afronding
Niet verkeerd zo’n terugblik op hoe ik in 2014 dacht de toekomst te zien als advocaat met achttien jaar ervaring. Vaak raak, maar ook vaak ernaast wat de vooruitblikken betreft; een enkele keer zelfs verrast door een niet voorziene ontwikkeling. Maar advocaten moeten ook niet koffiedik kijken, maar soms, heel soms, voel ik aan mijn water dat een advocaat die dat niet doet en niet van tijd tot tijd op stille ogenblikken weg mijmert bij gedachten hoe het recht er in de toekomst uit zal zien, niet echt een advocaat is.

Maar ach, dames en heren, ik heb volgens mij genoeg teruggeblikt op mijn vooruitblik van destijds en op mijn bescheiden leeftijd van 65 jaar, die mij uiteraard niet aan te zien valt, moet ik maar een eind gaan breien aan mijn toespraak. Ik ben intussen 7 jaar verwijderd van mijn pensioen van overheidswege, u weet wel wat vroeger als AOV werd aangeduid voordat het in 2026 helemaal uitgehold werd, en ik weet niet of ik er over twintig jaar, bij het zestigjarig bestaan van de Jonge Balie Curacao, weer bij ben. In 2014, herinner ik mij trouwens nog goed, was er overigens een advocaat actief die toen maar liefst 87 jaar oud was maar ik denk dat dat voor mij teveel van het goede zal zijn. En zeg nou eerlijk, de jonge advocaten die dan lid zijn van deze voortreffelijke vereniging zullen bezwaarlijk een boodschap hebben aan een terugblik op een vooruitblik van voor hen ultravreemde tijden van langdurige rolzittingen, ellelange papieren processtukken en een zwarte toga met witte bef!

Jonge Balie Curacao, leden en bestuur, nogmaals van harte gefeliciteerd!