PUBLICATIES

 

Het kort geding en de rechtsbescherming van gedetineerden

mr Mirto F. Murray en dr. R.S.J. Martha

Inleiding

Dit artikel behandelt de vraag of het Antilliaanse civielrechtelijk kort geding toereikend is om te voldoen aan de verdragsrechtelijke plicht om aan gedetineerden effectieve rechtsbescherming te bieden. Daartoe wordt eerst stilgestaan bij de algemene aspecten van de rechtsbescherming tegen de overheid. Daarna worden de praktijkgevallen besproken waarbij het civielrechtelijk kort geding daadwerkelijk is ingezet om aan een door gedetineerden onwenselijk ervaren detentiesituatie een einde te maken. Vervolgens wordt stilgestaan bij de vraag of gezegd kan worden dat het civielrechtelijk kort geding in detentiesituaties als een effectief middel kan worden aangemerkt zoals de relevante verdragen eisen. Aangezien alleen wordt gekeken naar de toereikendheid van het civielrechtelijk kort geding in de verdragsrechtelijke zin (1), blijven hier buiten beschouwing het beklagrecht ingevolge de Landsverordening beginselen gevangeniswezen (2) en de implicaties van de Landsverordening administratieve rechtspraak (3).

Het vereiste van uitputting van nationale rechtsmiddelen

Op 29 januari 2002 heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) het Koninkrijk - niet de eerste keer - veroordeeld wegens de schending van de Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Het was echter voor het eerst in de geschiedenis dat het ging om een situatie waarvoor het openbaar bestuur van de Nederlandse Antillen verantwoordelijk is. Het gaat om de zaak A.B. tegen het Koninkrijk der Nederlanden [Zaak nr. 37328/97] (4).A.B., verder aan te duiden als B,. klaagde (via de toen nog bestaande Europese Commissie voor de Rechten van de Mens) bij het EHRM over zijn behandeling gedurende zijn detentie in strafgevangenis Point Blanche te Sint Maarten. Bepaaldelijk beklaagde B. zich over de slechte omstandigheden in de gevangenis te Sint Maarten en het ongeoorloofd openen van correspondentie tussen B. enerzijds en onder meer zijn raadslieden en de Commissie anderzijds. Naar het oordeel van de Nederlandse Antillen was de klacht niet ontvankelijk omdat B. niet de beschikbare lokale rechtsmiddelen had uitgeput. Met name stelde de Regering van de Nederlandse Antillen zich op het standpunt dat gezien de plaats die het civielrechtelijk kort geding inneemt in de rechtsbescherming tegen de overheid in de Nederlandse Antillen, de afwezigheid van een voorziening speciaal voor gedetineerden, niet met zich bracht dat er geen lokale rechtmiddelen waren die B. kon benutten (5).

Achtergrond van dit regeringsstandpunt was dat in het volkenrecht er een algemene regel is dat, met betrekking tot resultaatsverplichtingen inzake de behandeling van natuurlijke personen (6), internationaal toezicht pas mogelijk is na uitputting van de nationale rechtsmiddelen. De ratio hiervan is dat staten die zich onderwerpen aan een internationaal toezichtsmechanisme de kans moeten krijgen eerst zelf een schending ongedaan te maken, omdat het waarborgen van rechten en vrijheden in de eerste plaats een nationale aangelegenheid vormt. Een klacht kan aldus pas in behandeling worden genomen, indien de nationale instanties de gelegenheid hebben gehad een eventuele schending te redresseren (7). Daarbij wordt van de klager verwacht dat hij de vraag of (een bepaling van) het EVRM is geschonden eerst aan de bevoegde nationale rechter(s) of beroepsinstantie(s) voorlegt. Er hoeft niet met zoveel woorden een beroep op (een of meer bepalingen) van het EVRM te zijn gedaan, mits dit wel in materiele zin - “in substance” - is gebeurd (8). Wanneer er geen mogelijkheid bestaat de schending van het EVRM in materiele zin aan de nationale autoriteiten voor te leggen, dan moet er uitdrukkelijk een beroep worden gedaan op desbetreffende bepalingen van het EVRM (9).

Naast de voorwaarde dat er - hetzij “in substance”, hetzij expliciet - een beroep op het EVRM moet zijn gedaan, moeten in beginsel alle daarvoor in aanmerking komende nationale rechtsgangen tot in hoogste instantie doorlopen zijn. Met andere woorden dienen alle lokale rechtsmiddelen zijn uitgeput. Welke nationale rechtsmiddelen openstaan is een vraag die beantwoord dient te worden naar nationaal recht. Uitgangspunt hierbij is dat alle rechtsmiddelen die tot een voor de overheid bindende beslissing kunnen leiden worden gebruikt. Alleen de rechtsmiddelen waarvan objectief vaststaat dat deze niet effectief of adequaat zijn, of dat deze te veel tijd in beslag nemen en het geschonden recht niet kunnen herstellen, of waarvan geen wezenlijk andere beslissing te verwachten is, behoeven niet te worden aangewend (10).

Rechtsbescherming tegen overheidsoptreden

Van oudsher wordt in de Nederlandse Antillen een beroep gedaan op de burgerlijke rechter wanneer men bezwaren heeft tegen een overheidshandeling of als men recht meende te hebben op vergoeding van schade die door de overheid was aangebracht (11). De rechtsmacht van de rechter in burgerlijke zaken werd voorheen gegeven in artikel 1 van het Reglement op de inrichting en samenstelling van de rechterlijke macht in de Nederlandse Antillen (RONA). Sedert 1986 is in artikel 2 van de Eenvormige landsverordening op de rechterlijke organisatie (ELRO) de rechtsmacht van de rechter in burgerlijke zaken vastgesteld. De burgerlijke rechter ofwel gewone rechter in de Nederlandse Antillen acht zijn bevoegdheid als hoofdregel en onthoudt zich slechts dan van de uitoefening daarvan wanneer en voor zover er een andere speciale rechtsgang beschikbaar is. Dit komt er op neer dat rechtsbescherming gezocht kan worden bij de gewone rechter wanneer geen speciale administratiefrechtelijke voorziening openstaat. Gezien de bescheiden opstelling van de wetgever ten opzichte van het treffen van administratiefrechtelijke voorzieningen, gaat derhalve de betekenis van de gewone rechter in de Nederlandse Antillen in het kader van de administratiefrechtelijke bescherming ver boven die van de restrechter. Tot de invoering van de LAR op 1 december 2001, was in de meeste gevallen de gewone rechter de enige mogelijkheid voor de burger vormt om rechtsbescherming tegen bestuurshandelingen te vragen (12).

De Antilliaanse rechter heeft (13), zich een ruime interpretatie van het begrip “burgerlijke rechten” geoorloofd. Reeds in 1955 overwoog het Hof van Justitie dat het voormelde artikel 1 RONA, betrekking heeft op recht waarin de eiser in het geschil vraagt beschermd te worden, hetgeen beslissend is voor de bevoegdheid  van de rechter en niet de relatie tussen partijen (14). De rechter is aldus ook in publiekrechtelijke relaties bevoegd van geschillen kennis te nemen, mits er bescherming gevraagd wordt van een burgerlijk recht. Het voorgaande komt er op neer dat de rechter zijn bevoegdheid dus niet vaststelt aan de hand van de eigenlijke grondslag van het geschil - de fundamentum petendi-leer -, doch voldoende acht dat de eiser verzoekt beschermd te worden in een burgerlijk recht, waarbij aldus door de formulering van de vordering het voorwerp van het geschil bepaald wordt - objectum litis-leer -(15).

Als gevolg van deze  opstelling van de gewone rechter, is in beginsel het gehele spectrum van overheidshandelen aan rechterlijke toetsing onderworpen.Verwezen zij in dat kader naar een uitspraak van de Hoge Raad van 9 mei 1958 (16), waarin werd uitgemaakt, dat de rechter aan de overheid het verrichten van zekere handelingen kan gelasten, wanneer zulk een gebod in overeenstemming is met hetgeen de wet aan het bestuursorgaan als bepaalde gedragslijn heeft voorgeschreven; de omstandigheid dat de te verrichten handeling - zoals bijvoorbeeld de afgifte van een vergunning - een typische overheidshandeling is, staat aan de toewijsbaarheid van de gevraagde voorziening niet in de weg(17). Het spreekt voor zich dat daar waar een wettelijke administratiefrechtelijke (18) weg ter toetsing van het gewraakte overheidshandelen openstaat, deze bewandeld dient te worden. De bevoegdheid van de rechter met betrekking tot overheidshandelen vindt een beperking daar waar er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang tegen overheidshandelen heeft opengestaan (19).

Gedetineerdenzaken

Enige terughoudendheid van de rechter met betrekking tot de toetsing daar waar het betreft specifiek overheidshandelen gerelateerd aan, dan wel gericht tegen, gedetineerde personen, is de Antilliaanse rechter in beginsel vreemd. Zo ook dus de houding van de gewone rechter in detentie zaken. Reeds geruime tijd acht de Antilliaanse rechter zich bevoegd overheidshandelen met betrekking tot in detentie verkerende personen te beoordelen. Verwezen zij naar de door Munneke aangehaalde, door hem als Gedetineerdenzaken aangeduide, uitspraken “Vrijheidsweigering activist” en “vrijheidsweigering op advies” daterende van 1978 (20).

In “vrijheidsweigering activist” zit, aldus nog steeds Munneke, de van Sint Maarten afkomstige vakbondsleider Willy Haize in een Curacaosche strafgevangenis een straf uit; daar schrijft hij brieven aan allerlei instanties naar aanleiding van door hem in de gevangenis gesignaleerde misstanden. In gesprekken die Haize kennelijk onder druk van een aan te spannen kort geding met de Minister van Justitie heeft om voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) te bewerkstelligen, antwoordt de Minister dat v.i. een gunst is en dat hij dienaangaande aan niemand en zeker niet aan de rechter in kort geding verantwoording verschuldigd is. De advocaat van Haize krijgt van de Minister te horen dat dit “geschrijf” weliswaar vrijstond maar dat dit juist de reden is om hem geen v.i. toe te staan. Met name het laatste wordt door de rechter afgedaan als “wel wat gespierdere taal dan verantwoord is”; de rechter wijst echter op andere gronden de vordering af (21).

Aan de (uitkomst van de) voorgaande procedure doet evenwel niet af het feit dat de mogelijkheid bestond zich tot de gewone rechter te wenden ter zake een publiekrechtelijke aangelegenheid, waarbij overheidshandelen, dan wel het weigeren zulks (in voor de eiser positieve zin) te doen, ter toetsing aan de rechter werd voorgelegd. De bevoegdheid sec tot kennisneming van geschillen van publiekrechtelijke aard door de gewone rechter, is middels het vorenstaande afdoende aangetoond. Van andere orde is de vraag in hoeverre de rechter die bevoegdheid in de praktijk ten volle benut en door welke materieel rechtelijke c.q. inhoudelijke toetsingscriterium de gewone rechter zich laat leiden. Vooropgesteld zij dat de gewone rechter bij uitstek geëquipeerd is voor de controle op de administratie. Professor M. Loth is van oordeel dat zulks enerzijds te wijten is aan  tekort schieten van andere controlemechanismen en op de tweede plaats het feit dat de gewone rechter zowel de jure als de facto een onafhankelijke positie inneemt in de Nederlandse Antillen (22).

De gewone rechter laat zich, sedert het Ikon-arrest (23), bij de toetsing van beweerdelijk onrechtmatig overheidshandelen leiden door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn in de Nederlandse Antillen nog veelal ongeschreven (24) rechtsnormen waaraan het bestuurlijk handelen dient te voldoen en waaraan dit handelen in rechte getoetst kan worden (25). De gewone rechter toetst voorts het overheidshandelen aan de bepalingen vervat in “overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties, voor zover zij in de Nederlandse Antillen van toepassing zijn”. Deze worden immers door de Staatsregeling, bepaaldelijk artikel 2 aanhef en onder 2, aangemerkt als de in de Nederlandse Antillen geldige wettelijke regelingen (26). Aldus vormt het EVRM een “overeenkomst”, beter gezegd verdrag, in voorgaande zin, waaraan de gewone rechter met steeds groter wordende regelmaat toetst (27). Hierbij zij verwezen naar de - voor zover ons bekend - eerste gepubliceerde uitspraak in kort geding waarin de rechtstreekse toetsing aan het EVRM centraal stond daterende van 1964; te weten in de zaak het Eilandgebied Curaçao versus de Nederlandse Antillen (28).

De gewone rechter acht zich dus zelfs in kort geding bevoegd rechtstreeks te toetsen aan bepalingen van het EVRM. Verwezen zij naar de uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, d.d. 17 juli 1991, waarin het Gerecht ten aanzien van de door eisers, allen gedetineerden in de gevangenis Koraal Specht, gevorderde “onbeperkte briefwisseling”, rechtstreeks toetste aan artikel 8 EVRM (29). Verwezen zij voorts naar de uitspraak van hetzelfde Gerecht - evenzeer in kort geding -, d.d. 10 december 1992, betreffende een rechtstreekse toetsing aan artikel 5 EVRM met betrekking tot de rechtmatigheid van een “voorlopige plaatsing” van de eiser in een inrichting tot verpleging van krankzinnigen op grond van een daartoe strekkend bevel van de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (30). Het Gerecht oordeelde, rechtstreeks toetsend aan artikel 5 EVRM, de detentie van eiser in voormelde inrichting onrechtmatig en beval diens onmiddellijke invrijheidstelling.

In de uitspraak van het meergenoemde Gerecht van 6 februari 1996 (31) oordeelde het Gerecht dat de executie van de voorlopige hechtenis gedurende bijkans drie dagen in een politiecel van drie vierkante meter, waarin sanitaire voorzieningen ontbraken terwijl voorts iedere mogelijkheid tot luchten ontbrak, onmenselijk en in strijd met artikel 3 EVRM moet worden geacht. Het Gerecht beval de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser. Van belang is voorts te bezien dat de gewone rechter, ook in kort geding, er niet voor schroomt onder rechtstreekse verwijzing naar uitspraken van het EHRM te anticiperen op onverbindend verklaring van nationale wetgeving in een eventueel te volgen bodemprocedure. In dat kader zij verwezen naar de uitspraak van meergenoemd Gerecht, d.d. 28 maart 1995 (32). Eisers waren allen gedetineerd en waren op grond van artikel 5 van het Kiesreglement Staten en Eilandsraden uitgesloten van kiesrecht. Het Gerecht oordeelde, onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Mathien-Mohin en Clerfayt (33), dat artikel 3 van Protocol 1 bij het EVRM het actieve kiesrecht garandeert, welke garantie weliswaar aan beperkingen onderhevig kan zijn, doch dat van feiten en of omstandigheden die een toelaatbare beperking opleverden niet was gebleken, zodat het “hoogst waarschijnlijk te achten” was dat de bodemrechter voormeld artikel 5, althans de gewraakte onderdelen daarvan, onverbindend zou verklaren en het kiesrecht van de eisers zou erkennen.

Ook in gevallen waarin door gedetineerden geen rechtstreeks beroep werd gedaan op de bepalingen van het EVRM heeft de rechter in kort geding zich willen inlaten met oordelen aangaande bijvoorbeeld de verstrekking van broodbeleg en toiletpapier aan een gedetineerde (34), de (voorwaardelijke) invrijheidstelling (35), een disciplinaire straf (36), de detentie in politiecellen (37), de “verlengingsperikelen” van een bevolen voorlopige hechtenis (38), de detentie van een vluchtgevaarlijke gedetineerde in een Huis van Bewaring (39), de detentieomstandigheden in de strafgevangenis Koraal Specht (40).

In laatstgenoemde uitspraak stond de detentiesituatie van een zestal gedetineerden in de strafgevangenis Koraal Specht, meer in het bijzonder de bij vonnis van het Gerecht, d.d. 26 september 1997 (41), bevolen aan te brengen hygiënische en humanitaire voorzieningen, centraal. De Nederlandse Antillen werd door het Gerecht bevolen

[...] (42) een door een erkende diëtiste opgesteld maaltijdschema toe te passen en zich aan de door de diëtiste gedane aanbevelingen inzake spreiding van maaltijden te houden;
[...] elke maand combatkokers (43) in de cellen te plaatsen;
[...] de bezoekcellen [...] van een deugdelijke doorzichtige tussenscheiding te voorzien en het aantal bezoekcellen uit te breiden met minimaal drie bezoekcellen;
[...] in het cachot (44) daglicht en lucht toe te laten en toegelaten te houden via de ingang dan wel de traliedeur;
[...] ieder cachot te voorzien en voorzien te houden van een matras, beddengoed, tafel en stoel”

terwijl het Gerecht voorts de Nederlandse Antillen verbood:

- de gedetineerden in het cachot op te sluiten zonder hen vooraf te horen;
- collectieve strafmaatregelen via beperking of onthouding van bezoek, post en kantinebezoek toe
- te passen of op te leggen;
- ijfstraffen toe te passen.”

Het Gerecht verbond aan het nalaten aan de bevelen te voldoen, dan wel overtreding van de verboden, door de Nederlandse Antillen een dwangsom (45).

In de door een vijftal gedetineerden aangevangen afzonderlijke bodemprocedures werd de Nederlandse Antillen veroordeeld tot vergoeding van schade geleden als gevolg van op 14 juli 1998 plaatsgevonden mishandelingen in de Strafgevangenis Koraal Specht (46). Het Gerecht oordeelde, onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM van 28 juli 1999 (47), dat de Nederlandse Antillen de eisers heeft onderworpen aan folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen in de zin van artikel 3 EVRM en dus tevens aansprakelijk is uit onrechtmatige daad waarmee hij schadeplichtig is geworden. Vervolgens werd de Nederlandse Antillen veroordeeld schadevergoeding te betalen aan de afzonderlijke eisers variërende tussen Naf 10.000,- en Naf 22.500,-(48).

Ten slotte zij nog verwezen naar een uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, met betrekking tot het verlenen van strafkortingen aan gedetineerden van de Point Blanche gevangenis te Sint Maarten en het recht op vereniging van gedetineerden in voormelde gevangenis (49). Het Gerecht oordeelde, toetsend aan artikel 11 lid 1 EVRM en onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad [HR 25 juni 1982, NJ 1983, 295 en HR 25 juni 1982, NJ 1982, 296], dat aan de gedetineerden in de Point Blanche gevangenis het recht op vergadering en vereniging toekwam (50).

De praktijk van de kort geding-rechter

Het voorgaande illustreert afdoende de effectiviteit en adequatie van - in ieder geval - het kort geding en in gelijke mate de civiele bodemprocedure. Niet alleen is de gewone rechter bereid en in staat rechtstreeks te toetsen aan het EVRM, in de praktijk volgt een dergelijke toets automatisch in zich daartoe lenende gevallen.

Het EHRM oordeelde reeds in de zaak Keus tegen Nederland, dat de mogelijkheid tot het instellen van een kort geding een effectief rechtsmiddel inhield dat voldeed aan de eisen van artikel 5 lid 4 EVRM (51). In voormelde uitspraak stelt het Hof dat, met betrekking tot Keus, die zich beklaagde over de procedure waarin beslist wordt over de verlenging van een tbr-maatregel, dat

“In fact an effective means of contesting the extension was available to him; namely that of filing an interlocutory application with the President of the District Court. Relying on art. 5 par. 4, which is directly applicable in the domestic legal system of the Netherlands, and on the fundamental adversarial principle, he could have pleaded that [...] public order no longer required the continuation of his placement. It appears from Netherlands case-law that the President would undoubtedly have ordered the applicant’s immediate release if he had accepted his arguments”.

Het voorgaande brengt met zich dat het EHRM in ieder geval van oordeel is dat het Nederlandse kort geding een effectief rechtsmiddel inhoudt aangezien in Nederland artikel 5 lid 4 EVRM rechtstreekse werking heeft. Het Hof voegt aan haar oordeel middels een uitkomstvoorspelling een extra dimensie toe; te weten de directe effectiviteit van het rechtsmiddel. Het EHRM stelt in een uitspraak uit 1998 eveneens de uitkomst, aldus de directe effectiviteit, van het rechtsmiddel centraal bij de beantwoording van de vraag of de nationale rechtsmiddelen uitgeput zijn. Het betreft de uitspraak inzake Erkalo tegen Nederland (52). Het Hof oordeelde het op zich effectieve rechtsmiddel van het kort geding niet direct effectief nu de uitkomst daarvan, naar het oordeel van het Hof, een afwijzing van het gevorderde zou behelzen aangezien een beslissing ad fundum van de rechtbank aanstaande zou zijn.

Van belang is ten slotte om volledigheidshalve nog op te merken dat het civiele procesrecht van de Nederlandse Antillen als kenmerk heeft dat in beginsel steeds in elke zaak rechtspraak in twee feitelijke instanties (eerste aanleg en hoger beroep) kan plaatsvinden. Voorts geldt dat in beginsel in alle zaken cassatieberoep bij de Hoge Raad der Nederlanden kan worden ingesteld (53). Ten aanzien van het kort geding geldt onverkort de mogelijkheid om het geding in twee feitelijke instanties ter rechterlijke toetsing voor te leggen en vervolgens de mogelijkheid tot het instellen van beroep in cassatie. Het Nederlands-Antilliaans civiele procesrecht kenmerkt zich voorts door de (nagenoeg) (54) volstrekte afwezigheid van een verplichte procesvertegenwoordiging in eerste aanleg en hoger beroep.

Hierbij verdient voorts opmerking dat een in de Nederlandse Antillen geldend verdrag met zich brengt dat de betrokken buitenlandse gedetineerde in aanmerking komt voor kosteloze rechtsbijstand (55). Op grond hiervan kunnen buitenlandse gedetineerden in voorkomende gevallen (ook B. als Britse staatsburger) zich kosteloos van rechtskundige bijstand van een advocaat voorzien, terwijl voorts, op grond van art. 736 Rv e.v., het hem toegestaan kan worden om kosteloos te procederen (56).

Ook moet melding worden gemaakt van de uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 27 oktober 2000 (57). De inzet was de dagelijkse verstrekking aan gedetineerden van drinkwater vrij van micro-organismen, althans met zodanige hoeveelheid micro-organismen dat de gezondheid daardoor niet werd geschaad (58). De indiening van het inleidend verzoekschrift, de behandeling én de uitspraak vonden alle op 27 oktober 2000 plaats. Aldus verkregen de gedetineerden binnen één werkdag een rechterlijk oordeel ter zake het door hen voorgelegde geschil. Het  stond dus de klager in de zaak B. vrij zich te beklagen omtrent de vermeende schending van het briefgeheim bij de rechter in kort geding. De rechter in kort geding heeft zich bereid en in staat getoond zeer detaillistisch - combatkokers en belegd brood - en zeer principieel - mishandelingen - het overheidshandelen te willen en kunnen toetsen. Sterker nog kan gesteld worden dat de rechter in kort geding, wanneer door een gedetineerde de detentiesituatie aan de orde wordt gesteld, aan een toetsing van het EVRM (en andere relevante internationaal-rechtelijke normen) niet kan ontkomen (59).

Hierdoor oordeelde de Antilliaanse regering dat er geen reden was om aan te nemen dat een kort geding zijdens B., met als grondslag overtreding van de bepalingen van het EVRM, geen effectief en adequaat rechtsmiddel zou behelzen in casu niet aannemelijk is, terwijl voorts de uitkomst van een dergelijke procedure, voor zover B. de pretense schending aannemelijk kon maken, zich in voor hem positieve zin liet voorspellen. Overigens, B. heeft ook een dergelijk kort geding, althans een kort geding, tegen de Nederlandse Antillen, geëntameerd en is als mede-eiser in voormeld kort geding (deels) in het gelijk gesteld. In het kort geding werd namens B. en onder verwijzing naar het EVRM onder meer gevorderd het toelaten van een vereniging van gedetineerden in de Point Blanche gevangenis te Sint Maarten. De stelling zijdens B. en anderen was dat de Nederlandse Antillen de bepalingen van het EVRM, bepaaldelijk artikel 11 EVRM, schond door hen niet toe te staan een vereniging van gedetineerden op te richten. Zoals hierboven gesteld werden B. en anderen op bovenvermeld punt door het Gerecht in het gelijkgesteld.

De weg naar de rechter in kort geding was B. dus bekend terwijl het hem voorts bekend was dat de rechter in kort geding ter zake een beweerdelijke schending van (bepalingen van) het EVRM, geadieerd kon worden. B. heeft echter gekozen voor het afzien van het adiëren van de rechter in kort geding ter zake die beweerdelijke schending. Van enige belemmering met betrekking tot de toegang tot de rechter in kort geding was er in de ogen van de regering dan ook geen sprake. Daarom vond de regering dat B., alvorens zich te wenden tot de (Commissie en) het EHRM, de nationale rechtsmiddelen niet had uitgeput, in de zin van (oud) artikel 26 EVRM (thans artikel 35).

Het oordeel van het EHRM (60) Ondanks dit alles, werd in de zaak B. het namens de Nederlandse Antillen aangevoerde exceptief verweer verworpen. Dat deed het EHRM op de volgende wijze:

69.  The relevant principles as to exhaustion of domestic remedies have been set out in inter alia the Court’s judgment of 28 July 1999 in the case of Selmouni v. France (no. 25803/94, §§ 74-77, ECHR 1999-V): The purpose of Article 35 § 1 of the Convention is to afford the Contracting States the opportunity of preventing or putting right the violations alleged against them before those allegations are submitted to the Convention institutions. However, the only remedies to be exhausted are those which are effective. It is incumbent on the Government claiming non-exhaustion to satisfy the Court that the remedy was an effective one available in theory and in practice at the relevant time.

Once this burden of proof has been satisfied, it falls to the applicant to establish that the remedy advanced by the Government was in fact exhausted, or was for some reason inadequate and ineffective in the particular circumstances of the case, or that there existed special circumstances absolving him or her from the requirement. One such reason may be the national authorities’ remaining totally passive in the face of serious allegations of misconduct or infliction of harm by State agents, for example where they have failed execute a court order. In such circumstances, the burden of proof shifts once again, so that it becomes incumbent on the respondent Government to show what they have done in response to the scale and seriousness of the matters complained of.

The Court would emphasise that the application of this rule must make due allowance for the context and the particular circumstances of the individual case. Accordingly, it has recognised that Article 35 § 1 must be applied with some degree of flexibility and without excessive formalism.

70.  As regards the application of Article 35 § 1 of the Convention to the facts of the present case, the Court notes at the outset that it appears from various reports that the situation in the Netherlands Antilles prison establishments was, and continues to be, characterised by significant, serious, structural problems.

71.  The Court observes that the various court decisions submitted by the respondent Government demonstrate the existence of a remedy before the civil courts. By availing themselves of this remedy, inmates may obtain a ruling as to the compatibility of administrative acts with their Convention rights and, if need be, to obtain injunctions.

72.  The applicant, however, did not avail himself of this remedy in respect of his present complaints. On this point, the Court recalls that the existence of mere doubts as to the prospects of success of a particular remedy, which is not obviously futile, is not a valid reason for failing to exhaust domestic remedies (cf. Van Oosterwijck v. Belgium judgment of 6 November 1980, Series A no. 40, p. 18, § 37). However, in assessing the remedy suggested by the Government, the Court must take account not only of its existence in the legal system of the Netherlands Antilles but also of the general legal and political context in which it operates, as well as the personal circumstances of the applicants.

73. In this connection, the Court is struck by the findings of the First Instance Court of Curacao in its decision of 14 November 1997 from which it clearly appears that the authorities of the Netherlands Antilles have remained totally passive for more than a year in complying with six injunctions to repair rather serious structural shortcomings of an elementary hygienic and humanitarian nature in prison facilities. Furthermore, the Court has regard to the findings and recommendations contained in various reports by, inter alia, the CPT on the conditions of detention in the Netherlands Antilles at the material time. The Court cannot but conclude that, in the absence of convincing explanations from the Government for their failure to take the necessary measures within a reasonable time to repair the structural problems criticised in these reports, and to observe the aforementioned court orders, there were special circumstances at the material time which dispensed the applicant from the obligation to exhaust the remedy suggested by the Government.”

Hoewel de Nederlandse Antillen er niet in zijn geslaagd om de vordering van B. alsnog niet-ontvankelijk te doen verklaren, blijkt uit het voorgaande dat het primaire doel van de regering  - weliswaar op een pijnlijke manier - gerealiseerd is. Het EHRM  beaamt in rechtsoverweging 71 dat het civielrechtelijk kort geding, met name zoals daaraan in de Nederlandse Antillen vorm wordt gegeven, een  rechtsmiddel is dat onder normale omstandigheden toereikend kan zijn om te voldoen aan de verdragsrechtelijke plicht om aan gedetineerden effectieve rechtsbescherming te bieden. Echter, het EHRM  oordeelde dat in het geval van B. er bijzondere omstandigheden waren die hem ontsloegen van de verplichting om de nationale rechtsmiddelen uit te putten (61). In de eerste plaats hield het Hof rekening met het feit dat er - in de tijd dat het geval zich heeft afgespeeld - er sprake was van door de relevante internationale toezichtorganen geconstateerde structurele tekortkomingen in de situatie van het gevangeniswezen van de Nederlandse Antillen, die toen nog niet waren aangepakt. Voorts stoorde het Hof zich aan het feit dat de Antilliaanse autoriteiten over een lange periode geen uitvoering heeft gegeven aan zes kort geding vonnissen waarin het Land veroordeeld was om door de kort geding rechter gespecificeerde verbeteringen aan te brengen. Met name dit feit ondermijnde de effectiviteit van het civielrechtelijk kort geding. Hiermee nam het EHRM dezelfde houding aan jegens de Nederlandse Antillen die internationale tribunalen, bij de hantering van de uitputtingsregel, doorgaans aannemen wanneer het verwerende land niet bekend staat als een staat die het nauw neemt met de mensenrechten (62).
Een zelfde oordeel zien wij bij de annotator professor Mevis onder de publicatie van de uitspraak van het EHRM in de NJ. Mevis stelt dat een “kort geding natuurlijk geen effective remedy meer is als de rechterlijke uitspraken gewoon niet worden nageleefd en aanbevelingen van het CPT niet worden uitgevoerd. Omdat die eis van effectiviteit een materiele eis is die het EHRM als voorwaarde stelt voor de invulling van een “domestic remedie” waarvan de uitputting een ontvankelijkheidsvoorwaarde is (art. 35 EVRM), leidt de verwerping van het preliminaire verweer i.c. vrijwel onvermijdelijk tot gegrond vinden van de inhoudelijke klacht van (schending van) artikel 13 EVRM”.
Annotator Hagens verwijst in haar noot onder het arrest van het EHRM naar eerdere uitspraken van het EHRM waarin het uitputtingsverweer zijdens de Nederlandse Antillen werd gehonoreerd. (63) In casu wilde het EHRM van het uitputtingsverweer niet horen en hecht zij, niettegenstaande het aan B. ter beschikking staande rechtsmiddel van een kort geding, grote waarde aan de uitspraak in de zaak Damon (64). Het EHRM straft daarmee, in de visie van Hagens, de Antilliaanse-, en daarmede de Koninkrijks-, autoriteiten af voor hun passieve houding en het niet naleven van de eigen rechterlijke uitspraken.

Slot

In het voorgaande is duidelijk gemaakt dat het kort geding een effectief rechtsmiddel is tvoor gedetineerden tegen beweerdelijke schending van bepalingen van het EVRM. De getrokken conclusies gelden gelijkelijk ook voor de bepalingen van het Internationale Verdrag inzake de Burgerlijke en Politieke Rechten en het VN Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Het kort geding heeft zich voorts bewezen, ook daar waar aangelegenheden betreffende gedetineerden de inzet van het kort geding waren, een effectief maar bovenal ook snel rechtsmiddel te zijn. Het arrest in de zaak B. brengt hierin geen wijziging, behalve dat nu vaststaat dat het verhaal niet rond is zolang de autoriteiten geen uitvoering geven aan de (kort geding) vonnissen.

Het ander punt waarop het EHRM in de zaak B. het verweer van het Land verwierp, namelijk dat er sprake was van door de relevante internationale toezichtorganen geconstateerde structurele tekortkomingen in de situatie van het gevangeniswezen van de Nederlandse Antillen, speelt niet langer een rol. Het proces van het verschonen van het internationale imago van de Nederlandse Antillen en daarmee het Koninkrijk, door het gevangeniswezen te hervormen en een einde te brengen aan de onmenselijke en mensonterende situatie waarin het gevangeniswezen van de Nederlandse Antillen verkeerde heeft reeds substantiële vooruitgang geboekt. Daardoor heeft de CPT in februari 2002 kunnen constateren dat aan de voorgenoemde misstanden een einde is gekomen. Deze bevindingen zijn in februari 2002 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Den Haag aan het Koninkrijk gepresenteerd (65).

(1) Voor de verdragsrechtelijke verplichtingen inzake de behandeling van gedetineerden zie N.G. Rodley, The Treatment of Prisoners in International Law, 2e ed Oxford University Press, 1999 en M. Evans & R Morgan, Preventing Torture - A study of the European Convention for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, Oxford University Press, 1998.
(2) P.B. 1996, 76, in werking getreden per 13 augustus 1999 (P.B. 1996, 116).
(3) P.B. 2001, 79, in werking getreden per 1 december 2001 (P.B. 2001, 80).
(4) Klager in kwestie, de heer A.B. gaf op zijn klachtformulier gericht aan de Commissie aan geen prijs te stellen op openbaarmaking van zijn naam bij de uitspraak. In het vervolg zal de klager als B. aangeduid worden. De uitspraak in kwestie is gepubliceerd in NJ 2002, 619 [met noot van prof. P. Mevis] en in het NJCM-Bulletin jrg. 27 (2002), nr. 8, pag. 1033 e.v. met noot van M. Hagens.
(5) Vgl. A.B. van Rijn, De bescherming van grondrechten in de Nederlandse Antillen, NJCM-Bulletin 1992, pag. 129-149.
(6) Zie artikel 22 en toelichting Draft Articles on State Responsibility of the International Law Commission, in S. Rosenne (red.), Martinus Nijhof publishers, Dordrecht, pag. 234-254.
(7) Zie o.a. EHRM 16 september 1996 [Akvidat t. Turkije], NJCM-Bulletin, jrg. 22 (1997), nr. 2, pag. 198-199; J.G. Merrils, The Development of International Law by the European Court of Human Rights, 2e ed., 1993, pag. 210 e.v.
(8) Vgl.  EHRM 6 november 1980 [Van Oosterwijck], Publ. ECHR, Series A, vol. 40.
(9) EHRM 6 november 1980 [Guzzardi], Publ. ECHR, Series A, vol. 39, pag. 27.
(10) Zie o.a EHRM 16 september 1996 [Akvidat t. Turkije], NJCM-Bulletin, jrg. 22 (1997), nr. 2, pag. 198 en EHRM 19 februari 1998 [Bahaddar t. Nederland], NJCM-Bulletin, jrg. 24 (1999), nr. 8, pag. 1072, met noot B.E.C.M. Tax en voorts B. Vermeulen, Uitputting van rechtsmiddelen in asielzaken?, in: R.A. Lawson & E. Myjer (red.), 50 Jaar EVRM, Bijzondere aflevering NJCM-Bulletin, jrg. 25, nummer 1, pag. 245 e.v. met noot van B. Vermeulen.
(11)W.A. Luiten, Een inleiding tot het Antilliaanse Staatsrecht, UNA, Willemstad, 1983, pag. 200-206; A.B. van Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer, 1999, pag. 383.
(12) Vgl. A.B. van Rijn, t.a.p., pag. 384.
(13) In navolging van de Hoge Raad, HR 31 december 1915, NJ 1916, pag. 407 [Guldemond/Noordwijkerhout]. Zie verder C.A.J.M. Kortmann en P.P.T. Bovend’Eert, Inleiding constitutioneel recht, tweede druk, Kluwer Deventer, 1995, pag. 110 en ook P.A. Stein, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 8e druk, Kluwer, Deventer, pag. 39.
(14) HvJ 28 juni 1955 [Dirksz / Nederlandse Antillen], opgenomen in: W.A. Luiten, Antilliaanse staats- en administratiefrechtelijke jurisprudentie, Uitgave UNA, 1983, pag. 201. Ook het EHRM toont zich een aanhanger van de objectum litis-leer; EHRM 16 juli 1971 [Ringeisen t. Oostenrijk], Series A vol, 13, aangehaald door: N. Verheij, De toegang tot de rechter in het bestuursrecht, zoals opgenomen in: R.A. Lawson & E. Myjer (eindred.), a.w., pag. 193.
(15) H.B. van Aller, Rechtsvergelijkend Jurisprudentieoverzicht Bestuursrecht en Staatsrecht, Uitgave Universiteit van Aruba, 1992, hoofdstukken 3 en 9.7; zie eveneens A.B. van Rijn  a.w., pag. 384, bepaaldelijk noot 60.
(16) NJ 1960, 475.
(17) P.A. Stein , noot bij HR 9 mei 1958, NJ 1960, 475.
(18) In casu, onder verwijzing naar artikel 42 lid 3 en 4 van de Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba, daaronder - onder meer - verstaande de fiscaalrechtelijke- [o.g.v. de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 (P.B. 1941, 12)] en de ambtenarenrechtelijke weg [o.g.v. de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (P.B. 1951, 134)] ter beslechting van geschillen. Zie voor uitspraken waarin ter zake de opheffing voorlopige hechtenis de strafprocesrechtelijke weg openstond Pres. Rb. Amsterdam 19 september 1991, KG 1991, 336; Pres. Rb. Breda 13 augustus 1992, KG 1992, 303 en Pres. Rb. Roermond 17 februari 1993, KG 1993, 124 allen concluderende tot niet-ontvankelijkheid en GEAC[!] 4 februari 1994, KG 1994, 92 concluderende tot ontvankelijkheid. Zie voor een bespreking van uitspraken waarin de weg naar het Gerecht in Ambtenarenzaken openstond: A.W.M. Bijloos, Begrensde rechtsmacht, AJV Nieuwsbrief, no.1/2000, pag. 5 -11.
(19) A.B. van Rijn, Staatsrecht 2: de Nederlandse Antillen, in: P.J. Duinkerken en M.A. Loth (red.), Inleiding tot het Nederlands-Antilliaans recht, UNA, 1997, pag. 77.
(20) H. Munneke, Ambtsuitoefening en de onafhankelijke controle in de Nederlandse Antillen en Aruba [diss.], Ars Aequi Libri, Nijmegen, 1994, pag. 117.
(21) HVJ 19 september 1978, NAJ-70, pag. 762 [Vrijheidsweigering activist], zoals aangehaald door H. Munneke, a.w., pag. 117 en 130.
(22) M.A. Loth, Een eigentijds nanzi-verhaal], in: TAR-Justicia, 1998 nr. 3, pag. 151-152.
(23) HR 27 maart 1987, NJ 1987, 727.
(24) Door Ten Berge aangeduid als de afwezigheid van “een kookboek voor bestuurders, [...] een boekje met spelregels voor het spel tussen burger en overheid.” J.B.J.M. ten Berge, Beginselen van behoorlijk bestuur, TAR-Justicia 1986 nr. 1, pag. 5. Zie over de LAR: J. Sybesma (red.), De Landsverordening Administratieve Rechtspraak [LAR] Nederlandse Antillen, Congresbundel, AJV, Curaçao 2000.
(25) L.L.J. Rogier, Deugdelijkheid van bestuur als rechtsnorm, in: TAR-Justicia 1997 nr 1, pag. 38.
(26) R.S.J. Martha, Civielrechtelijke werking van verdragsbepalingen, C.E.Dip e.a., Karel Bongenaar: Een Koninkrijksvriend, Curaçao 2001, pag. 121-159.
(27) Voor een overzicht van voorzichtige eerste schreden op het gebied van rechterlijke toetsing van overheidshandelen aan het EVRM en een uiteenzetting van de invloed van het EVRM op de Antilliaanse rechtspraktijk zij verwezen naar: E.A. Alkema, Wat betekenen de Europese mensenrechten voor de Antilliaanse rechtspraktijk?, TAR 1984 nr. 1, pag. 1 - 12.
(28) GEAC 25 mei 1964 [het Eilandgebied Curaçao / de Nederlandse Antillen], NJ 1965, 412, betreffende de toetsing van buitenwettelijk geoordeelde preventief overheidstoezicht op televisie-uitzendingen aan de bepalingen van artikel 10 EVRM.
(29) GEAC 17 juli 1991 [Rietwijk e.a. / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 209/1991 (niet gepubliceerd). Vanwege de beperkte toegankelijkheid van in beginsel zelden gepubliceerde uitspraken inzake de door ons beschreven (rechtzaken m.b.t.) detentiesituaties en ter wille van de duidelijkheid worden in de door ons aan te halen niet gepubliceerde uitspraken telkens de achternaam van de eiser, in stede van een aanduiding middels een initiaal, gehanteerd. Voor een summier, overzicht van de mogelijkheden tot briefwisseling voor gedetineerden en een historisch overzicht van de executie van gevangenisstraf zij verwezen naar: W.R. Boom, De executie van gevangenisstraf op Curaçao vroeger en thans, zoals opgenomen in: W.A. Luiten (red.), Een decennium later [...], UNA Willemstad, 1982, pag. 118 e.v. Zie voorts: C. Kelk en M. Moerings, De Nederlands-Antilliaanse strafrechtpleging: wettelijke concordantie en maatschappelijke discrepanties, TAR 1982, nr. 4, pag. 223 - 250.
(30) GEAC 10 december 1992 [Felix / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 516/1992 (niet gepubliceerd), bevattende een expliciete verwijzing naar de uitspraak van het EHRM 24 oktober 1979 [Winterwerp t. Nederland], NJ 1980, 114.
(31) GEAC 9 februari 1996 [Moesquit / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 66/1996 (niet gepubliceerd). Voormelde uitspraak is in de lijn van HR 12 september 1986, NJ 1987, 944 met noot van Alkema. In de uitspraak van het GEAC 5 juni 1996 [Rampenburg / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 232/1996 (niet gepubliceerd) wordt de detentiesituatie van een vluchtgevaarlijke gedetineerde tegen de bepalingen van artikel 3 EVRM afgezet,
(32) GEAC 28 maart 1995 [Michel e.a. / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 1995/140 (niet gepubliceerd).
(33) De door het Gerecht aangeduide vindplaats van het arrest  van het EHRM, d.d. 2 maart 1987, luidt: A. 113 (1987).
(34) GEAC 27 april 1994 [H. / de Nederlandse Antillen], NJ 1994, 601. Het Gerecht oordeelde inter alia de “herhaaldelijke niet-verstrekking van droog brood, dan wel brood met bakmargarine”, aldus zonder broodbeleg, en toiletpapier, onrechtmatig.
(35) GEAC 9 juni 1995 [Jansen / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 95/228 (niet gepubliceerd). Het Gerecht oordeelde de door Jansen gehanteerde lezing van de wet, bepaaldelijk artikel 18b Sr., onjuist en wees de vordering af. Voormelde uitspraak werd bevestigd door het GHvJ op 20 februari 1996, no. H-371/95 (evenmin gepubliceerd).
(36) GEAC 5 september 1995 [Jantje / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 398/1995 (niet gepubliceerd). Het Gerecht oordeelde uitdrukkelijk in r.o. 9 dat “[d]oor het ontbreken van een rechtsmiddel om tegen een dergelijke disciplinaire straf op te komen, er in kort geding reden temeer [is] om ter zake minder terughoudend te oordelen” en beval de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser. Het betrof in casu een disciplinaire straf die niet zijn grondslag vond in de toen nog geldende Verordening van den 6den october 1930, tot aanwijzing der gestichten, waar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis wordt ondergaan en tot vaststelling der beginselen van het gevangeniswezen [P.B. 1930, no. 73], dan wel het Reglement van Orde en Tucht voor de Strafgevangenis en de Huizen van Bewaring [P.B. 1958, no. 19] 
(37) GEAC 6 december 1995 [Balentien e.a. / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 568/94 (niet gepubliceerd). Het Gerecht stelde in r.o. 3.5 zelfstandig een aantaal “voorwaarden, waaronder de detentie van personen [in politiecellen MFM] voorlopig rechtmatig geacht kunnen worden”. Zo diende onder meer, gelet op de ruimte van de eenpersoonscellen, slechts twee personen per cel ingesloten te worden en diende voor alle gedetineerde schone matrassen aanwezig te zijn en dienden de gedetineerden de mogelijk te hebben schriftelijk te communiceren met hun advocaat, de officier van justitie en de rechter-commissaris. Bedoelde voorwaarden maakten evenwel geen deel uit van het dictum. Verwezen zij voorts naar de hierboven aangehaalde uitspraak: GEAC 9 februari 1996 [Moesquit / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 66/1996 (niet gepubliceerd).
(38) GEAC 4 februari 1994 [D. / de Nederlandse Antillen], KG 1994, 92.
(39) GEAC 25 november 1996 [Pieter / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 538/1996 (niet gepubliceerd). Het Gerecht oordeelde dat “niet is gebleken dat het regime waaraan Pieter momenteel wordt onderworpen niet zou voldoen aan de ondergrenzen van humanitaire aard” en dat uit dien hoofde de directie van de inrichting Pieter in redelijkheid aan de door hem gewraakte beperkingen kon onderwerpen. Zie voorts ten aanzien van de Strafgevangenis de uitspraak GEAC 5 juni 1996 [Rampenburg / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 232/1996 (evenmin gepubliceerd).
(40) GEAC 14 november 1997 [Damon e.a. / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 426/97 (niet gepubliceerd) betreffende voorzieningen van elementaire-, hygiënische - en humanitaire aard in de strafgevangenis Koraal Specht, onder verwijzing naar de uitspraak in een bodemprocedure GEAC 23 september 1996, A.R. no. 1463/96 (niet gepubliceerd).  Bedoelde uitspraak werd, behoudens wijziging [lees: vermindering] van de maximaal te verbeuren dwangsommen, grotendeels bevestigd door het GHvJ op 6 oktober 1998 (niet gepubliceerd). Het beroep in cassatie tegen de laatste uitspraak werd verworpen door de Hoge Raad bij uitspraak van 30 juni 2000 [NJ 2000, 535].
(41) Zonder nadere aanduiding vermeld in: r.o. 4.1 van GEAC 14 november 1997 [Damon e.a. / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 426/97.
(42) De tijdsbepaling waarbinnen na betekening het een en ander telkens gerealiseerd diende te worden is ter wille van de leesbaarheid en wegens gebrek aan rechtstreekse relevantie telkens weggelaten.
(43) Eisers beklaagden zich over onvoldoende ongediertebestrijding en vorderen uit dien hoofde het plaatsen van ongedierte [i.c. kakkerlakken] bestrijdings- en lokdozen; zogenaamde “combatkokers”.
(44) Eenpersoons strafcel met minimaal, voornamelijk stenen (betonnen) onverplaatsbaar, meubilair.
(45) De uitspraak werd, onder matiging van de opgelegde dwangsommen, grotendeels bevestigd door het GHvJ  op 6 oktober 1998 A.R. no. H-91/98, KG 1998/325.
(46) Het betreft de uitspraken allen gedateerd 6 december 1999 van het GEAC inzake - telkens afzonderlijk - Arrindel, Thode, Bart, Jops en Dovale tegen de Nederlandse Antillen met respectievelijke A.R. no.’s 1598/99, 1599/99, 1600/99,1601/99 en 1696/99 (niet gepubliceerd).
(47)In uitspraak aangeduide vindplaats: EHRM 28 juli 1999, NJB 1999, nr. 29, pag. 1655 e.v.
(48) Volledigheidshalve zij nog verwezen naar het - weliswaar summiere -overzicht van soortgelijke procedures, zoals aangehaald door Mul en Schalken S.W. Mul en T.M. Schalken, De “nieuwe” strafvordering, zoals opgenomen in: P.J. Duinkerken en M.A. Loth (red.), a.w., pag. 184 - 185.
(49) Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten 18 april 1997 [Barry e.a. / de Nederlandse Antillen], KG 1997, 188.
(50) Opmerkelijk is dat B. één van de mede-eisers was in deze procedure!
(51) EHRM 25 oktober 1991 [Keus t. Nederland], NJ 1991, 627.
(52) EHRM 2 september 1998 [Erkalo t. Nederland], NJ 1999, 624 met noot Knigge.
(53) W.D.H. Asser, Burgerlijk procesrecht, zoals opgenomen in: P.J. Duinkerken en M.A. Loth (red.), a.w., pag. 426. Verwezen zij ook naar de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba [Rijkswet van 20 juli 1961 (Stb. 212), tekst in P.B. 1961, 142].
(54) Als enige uitzondering geldt dat op grond van artikel 277 Rv slechts advocaten [in de zin van de Advocatenlandsverordening 1959] toegelaten zijn tot het bepleiten van een zaak ten overstaan van het GHvJ. Aannemelijk is dat deze “beperking”, in het licht van de jurisprudentie van het EHRM, maar ook de Hoge Raad,  HR 29 september 1995, RvdW 1995, 1997 C en HR 15 maart 1996, RvdW 1996, 70 C ten aanzien van de Nederlandse situatie en meer in het bijzonder GHvJ 7 april 1998 [ABVO / Nederlandse Antillen], NJ 1998, 820 [pleidooi toegestaan na niet, althans te laat, dienen Memorie van Antwoord] en HR 10 november 2000 [Pitt / Van Frederici], RvdW 2000, 220 C [pleidooi toegestaan na niet, althans te laat, dienen Memorie van Grieven] ten aanzien van de Nederlands Antilliaanse situatie, geen al te lang leven meer beschoren is.
(55) Artikel 2 [tweede volzin] Landsbesluit Kosteloze rechtsbijstand [P.B. 1959, 198] juncto artikel IV Aanvullend Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende rechtsgedingen [Trb. 1967, no. 196] bedoeld als tweede aanvulling op het Verdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken [P.B. 1934, 65].
(56) Blijkens de uitspraak van het EHRM 9 oktober 1979 [Airey t. Ierland], NJ 1980, 376 (met noot van Alkema), zijn bij het beoordelen van de effectiviteit van de toegang tot de rechter de kosten van de procedure niet van ondergeschikte betekenis. Zie in dat kader voorts C.J. Staal, De vaststelling van de reikwijdte van de rechten van de mens [diss.], Ars Aequi Libri, Nijmegen, 1995, pag. 398 - 403.
(57) GEAC 27 oktober 2000 [Martines e.a. / de Nederlandse Antillen], A.R. no. KG 2000/434, TAR-Justicia 2001, nr. 1. Dit vonnis is in hoger beroep vernietigd.
(58) Het kort geding volgde naar aanleiding van de door het nutsbedrijf geconstateerde verhoogde aanwezigheid van micro-organismen in de waterleidingnet van het eiland Curaçao en het afkondigen van een kookadvies door het nutsbedrijf. De gedetineerden wisten, daartoe gesteund door een beroep op overmacht zijdens de Nederlandse Antillen, aannemelijk te maken dat de gevangenis niet beschikt over faciliteiten voor het koken van water voorafgaande aan de consumptie daarvan.
(59) M.A. Loth, Rechtsvinding door de Antilliaanse en Arubaanse burgerlijke rechter, zoals opgenomen in: WPNR 99/6356, 1 mei 1999, jrg. 130, Themanummer Privaatrecht op de Nederlandse Antillen, pag. 324.
(60) Zie voor een  bespreking van de uitspraak in de zaak B voorts: L. Van Lent, e.a.: Kroniek: Jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, eerste kwartaal 2002, in NJCM-Bulletin, jrg. 27 (2002), nr 5, pag. 642-643.
(61) Vgl. J. Kokott, The Burden of Proof and International Human Rights Law, Kluwer Law International, 1998, pag. 216-217.
(62) Zie Evans & Morgan op. cit.,o.a. pag. 174, 178, 248, 324, 263, 273, 177 en 179; zie eveneens A.B. van Rijn, De toestand van de Antilliaanse gevangenissen, in NJCM-Bulletin, jrg. 21 (1998), pag. 1115-1126 en H.F. Munneke, Gevangen op de Nederlandse Antillen: recht op geweldloze behandeling?, NJCM-Bulletin, jrg. 24 (1999), pag. 614-622.
(63) C.C.F. t. Nederland [ontvankelijkheidsbeslissing 19 januari 1999, appl. nr. 39390/98] en Gibbs t. Nederland [EHRM 31 augustus 1999, appl. nr. 38089/97].
(64)Verwezen zij naar noot 42.
(65)Zie “Lof en kritiek CPT voor Bon Futuro”, Amigoe 15 november 2002, zie ook "Het wonder van Bon Futuro"  Algemeen Dagblad (Caribische editie) van 19 oktober 2002.

Small Murray Scheper, advocaten
Rozenweg nummer 4
Mahaai, Curaçao
Telefoonnummer: 738 02 80
Fax nummer: 738 02 81
Email: murray@sms-advocaten.com

<< Terug


 
  Algemeen | Ons Team | Praktijk | Publicaties | Nieuws | Links | Algemene Voorwaarden | Contact