PUBLICATIES

 

Vrouwelijke bediening

mr Mirto F. Murray

Met enige regelmaat verschijnt in de lokale dagbladen een bekendmaking van het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao waarin zij aankondigt dat een (rechts)persoon een verzoekschrift heeft in gediend ter verkrijging van een koffiehuis- en/of een restaurantvergunning op grond van de Vergunningslandsverordening [PB 1963, 28].

Veelal pleegt, zoals blijkt uit de bekendmaking, het verzoekschrift tevens te omvatten het verzoeken van toestemming voor het hanteren van een later sluitingsuur en om muziek te maken in het perceel.

Het doel van de publicatie is belanghebbenden in kennis te stellen van het verzoekschrift opdat zij, indien gewenst, tegen de afgifte van de verzochte vergunning en toestemmingen bezwaar kunnen maken.

Nu kun je tegen de voorgenomen vestiging van een restaurant bij jou op de hoek zeer begrijpelijke bezwaren hebben. Niet lang geleden stond ik een restauranthouder in spé bij die zowat letterlijk de hele buurt over zich heen kreeg, hetgeen ook nog eens publiekelijk werd uitgemeten in de dagbladen. Zelfs tegen een later sluitinguur en tegen muziek maken in het perceel kun je als bezorgde buurtbewoner om heel valide en voor de hand liggende redenen bezwaar hebben. Ik speur dan ook naarstig dit soort advertenties af, iedere keer gerust ademhalend wanneer de aanvrager een vergunning verzoekt voor een restaurant of snack - vaak met de meest exotische namen - in een ver van mijn woonhuis gelegen wijk.

Al jaren trekt echter mijn aandacht in die advertenties de zinsnede dat het verzoekschrift ‘tevens [strekt] ter verkrijging van toestemming […] om vrouwelijke bediening toe te laten’. Kennelijk is vrouwelijke bediening in een restaurant of koffiehuis zo bijzonder dat je daar expliciet toestemming voor moet verzoeken.

Als advocaat wilde ik hier natuurlijk het fijne van weten. Dat er in een officiële bekendmaking van de eilandelijke overheid melding wordt gemaakt van een expliciet verzoek tot het verkrijgen van toestemming om vrouwelijke bediening toe te laten, kon slechts betekenen dat er kennelijk een verbod daartoe bestond waarvan ontheffing [lees: toestemming voor] verzocht kon worden.

Het eerste aanknopingspunt was natuurlijk de hierboven al genoemde Vergunningslandsverordening, verder aan te duiden als ‘de Verordening’. Bedoelde verordening, behalve zijn voormelde roepnaam, volledig aangeduid als de ‘landsverordening van de 7de februari 1963 houdende regelen betreffende de handel in dranken en spijzen alsmede het verschaffen van huisvesting met bediening tegen vergoeding’, is met ingang van 14 april 1977 in werking getreden [PB 1977, 103].

Inderdaad bevat de Verordening een algemeen verbod op vrouwelijke bediening waarvan ontheffing c.q. waarvoor toestemming verzocht kan worden. Artikel 53, eerste lid, van de Verordening luidt namelijk als volgt:

“Het is zonder schriftelijke toestemming van het bestuurscollege (1), het plaatselijk hoofd van politie gehoord, aan de houder verboden in een lokaliteit, waarvoor ingevolge deze landsverordening een vergunning, niet zijnde een grossiersvergunning of een slijtvergunning, is verleend, vrouwen of personen beneden de leeftijd van achttien jaar te laten bedienen.”

In het navolgende laat ik buiten beschouwing het onderdeel van het voormelde artikel dat te maken heeft met bediening door minderjarige personen. Een bekendmaking waarin een toekomstig restauranthouder verzocht toestemming daartoe te verlenen, heb ik namelijk nog niet gezien. Terwijl ook anderszins het verbieden van minderjarigen, al dan niet achter de toog, in een bar of restaurant te bedienen in beginsel nauwelijks op weerstand kan stuiten.

Mijn zoektocht naar het hoe en waarom van het aldus wel degelijk bestaande expliciete verbod op vrouwelijke bediening - op overtreding waarvan nota bene een hechtenis van maximaal vier maanden of een geldboete van duizend gulden staat - bracht mij ertoe de Memorie van Toelichting erop na te slaan. Voorwaar zal, zo dacht ik, een dergelijk verbod door de wetgever van de broodnodige toelichting zijn voorzien.

Ik kwam bij het bestuderen van de Memorie van Toelichting en overige parlementaire stukken echter bedrogen uit. Met uitzondering van de vraag van de Staten of de uitzonderingsbepaling vervat in het derde lid van artikel 53, te weten dat het in het eerste lid vermelde verbod niet van toepassing is op de ‘inwonende echtgenote of de inwonende meerderjarige dochters van de persoon te wiens naam de vergunning is gesteld’, ook voor pleegdochters gold (2) en de negatieve reactie daarop van de Minister (3), kwam echter de vrouwelijke bediening als zodanig helemaal niet voor in de parlementaire geschiedenis.

Het voorgaande kon in principe twee dingen betekenen; de kwestie behoefde geen nadere toelichting omdat het verbod (destijds) vanzelfsprekend was of omdat het verbod in oude(re) wetgeving al voorkwam en toen (uitvoerig) werd toegelicht door de wetgever. Het eerste weigerde ik (zonder slag of stoot) te accepteren, dus stortte ik mij op de oudere wetgeving.

De invoering van de Verordening behelsde (onder meer) de intrekking van de Vergunningsverordening 1949 [PB 1949, 4], ofwel de ‘landsverordening van de 3de januari 1949 houdende nieuwe bepalingen tot regeling van de handel in dranken en spijzen, alsmede het verschaffen van huisvesting met bediening tegen vergoeding’, in werking getreden met ingang van 13 januari 1949.

Deze verordening uit 1949 behelsde op haar beurt weer de intrekking van haar voorganger de Vergunningsverordening 1908 [PB 1909, 7] ofwel de ‘landsverordening van 3 juli 1901 tot het verkrijgen en uitoefenen der bevoegdheid tot het houden van eene tapperij, een koffiehuis, een logement, eene sociëteit, een bierhuis, ijshuis of restaurant en tot het verkoopen en uitslaan van gedestilleerd (4).

Niet geheel tevergeefs zocht ik in de beide verordeningen naar (een verbod op) vrouwelijke bediening. Daar waar de Vergunningsverordening 1908 in alle talen zwijgt over vrouwelijke bediening, bevatte artikel 24 van de Vergunningenverordening 1949 een soortgelijk verbod als het thans geldende. In ruimere zin dan het thans geldende verbod op vrouwelijke bediening bepaalde voormeld artikel het volgende:

“Het is, zonder toestemming op het eiland Curaçao van de Procureur-Generaal en op de overige eilanden van het Plaatselijk Hoofd der Politie verboden in een localiteit, voor welke ingevolge de bepalingen dezer landsverordening een vergunning is verleend tot verkoop van sterke, zwak-alcoholische, alcoholvrije dranken en/of spijzen vrouwen […] (5) te laten bedienen.”.

Het verbod op vrouwelijke bediening zag aldus toe op het schenken van alle dranken en opdienen van spijzen door vrouwen in alle lokaliteiten waarvoor op grond van de Vergunningsverordening 1908 een vergunning benodigd was. Zoals hierboven gesteld is het verbod thans ‘beperkt’ tot het bedienen in lokaliteiten waarvoor een vergunning benodigd is met uitzondering van lokaliteiten met een slijt- of grossiervergunning.

Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat in 1949 de voormelde thans uitgezonderde vergunningen ook waren opgenomen in de wet doch kennelijk de emancipatie van de vrouw nog niet zo vergevorderd was dat toen al werd toegestaan dat vrouwelijke bediening in een slijterij of in de groothandel werd toegestaan. De reden waarom de wetgever in 1963, bij de totstandkoming van de Verordening, wel een uitzondering maakte voor de slijterij en de groothandel is niet met zoveel woorden vermeld in de Memorie van Toelichting. Ik meen echter dat de reden daartoe gelegen is in het feit dat op grond van paragraaf 2 van de Verordening de grossiervergunning (artikel 13) en de slijterijvergunning (artikel 14) de enige twee vergunningen zijn die de verkoop behelzen van drank ‘uitsluitend voor gebruik elders dan ter plaatse voor welke de vergunning geldt’. Kennelijk is de combinatie van vrouwelijke bediening en ‘gebruik ter plaatste’ iets wat, anders dan in het bezit van een daartoe strekkende toestemming, vermeden moet worden. De reden hiervoor was mij ook na deze zoektocht allerminst helder.

In de hoop echter dat, los van het bovenstaande (evenmin door de wetgever nader toegelichte) verschil, wellicht de Memorie van Toelichting op de Vergunningsverordening 1949 uitkomst zou bieden voor het verbod op vrouwelijke bediening, sloeg ik deze er ook op na. Deze exercitie bleek niet vruchteloos. In uitermate cryptische bewoordingen stelt de Memorie van Toelichting op het naderhand (6) tot artikel 24 omgenummerd artikel letterlijk het volgende:

“Deze bepaling is noodzakelijk om ongewenste praktijken te voorkomen. Zij zal geen bezwaar kunnen opleveren voor inrichtingen, welke boven alle verdenking staan.”. (7) Kennelijk meende de wetgever [lees hier: de Minister] dat door vrouwelijk bediening in een restaurant ‘ongewenste praktijken’ konden ontstaan en dat door het invoeren van het verbod op die vorm van bediening die praktijken kon worden voorkomen. Sterker nog, meende de Minister dat het invoeren van dit verbod noodzakelijk is om die, niet nader omschreven ‘ongewenste praktijken’ te voorkomen.

Evenzeer onbegrijpelijk is de tweede volzin uit de Memorie van Toelichting die naar het zich laat aanzien is gericht aan de overheid. Kennelijk is beoogd te stellen dat ten aanzien van ‘inrichtingen, welke boven alle verdenkingen staan’ geen bezwaren zullen kleven de verzochte toestemming te verlenen. Op welke wijze een inrichting, die ‘boven alle verdenking’ staat, moet worden geïdentificeerd, wordt door de wetgever maar in het midden gelaten. Ik kan er verder ook weinig zinnigs van maken en beperk mij in het volgende tot de eerste volzin.

De wetgeving bestaat nog steeds in ongewijzigde zin zodat het ervoor moet worden gehouden dat de wetgever er nog immer van overtuigd is dat het verbod op vrouwelijke bediening noodzakelijk is om - overigens niet nader aangeduide - ‘ongewenste praktijken’ te voorkomen. Het voormelde komt mij, anno 2006, voor als zijnde in strijd met het discriminatieverbod.

De Staatsregeling van de Nederlandse Antillen kent in artikel 3 een positief geredigeerd feitelijk verbod op discriminatie; immers bepaalt zij dat allen die zich op het grondgebied van de Nederlandse Antillen bevinden gelijke aanspraak hebben op bescherming van persoon en goederen. De tekst, die gelijk is aan tekst van het vroegere eerste lid van artikel 4 van de Grondwet, wordt uitgelegd in die zin dat een ieder voor de wet gelijk is en dat de overheid ieders aanspraken gelijkelijk dient te beschermen en te ontzien. (8)

Het aan de overheid gerichte gebod tot gelijke behandeling in gelijke gevallen betekent niet dat iedereen dezelfde rechten en plichten heeft. Waar het om gaat is dat de ongelijkheden gerechtvaardigd moeten zijn en dat de gevallen die zo zeer met elkaar overeenstemmen, dat een ongelijke behandeling niet op zijn plaats is, niet ongelijk worden behandeld. De gelijkheid of ongelijkheid van gevallen wordt niet vastgesteld door álle aspecten van de gevallen met elkaar te vergelijken, maar door slechts die aspecten in aanmerking te nemen welke in de gegeven situatie relevant zijn. (9)

Ik haast mij op te merken dat niet iedere wettelijk voorgeschreven ongelijke behandeling van vrouwen per definitie discriminatoir is. Bezwaarlijk kan met een strak gezicht worden volgehouden dat het wettelijk geregelde bevallingsverlof ook onverkort voor mannen dient te gelden.

Behalve de Staatsregeling bevatten ook internationale verdragen die rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse Antillen expliciete discriminatieverboden. Ik volsta te noemen artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het (zogeheten) BUPO-verdrag.

Behalve bij de voormelde algemene verdragen zijn de Nederlandse Antillen ook partij bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen [Trb. 1980, 146].

Artikel 1 van het voormelde verdrag luidt als volgt:
Artikel 2 van het verdrag verplicht de staten die partij zijn bij het verdrag om alle vormen van discriminatie van vrouwen te veroordelen en onverwijld overeen te komen met alle passende middelen een beleid te volgen, gericht op uitbanning van discriminatie van vrouwen. Daartoe verbinden de staten zich (zoals vervat in sub f.):
alle passende maatregelen, waaronder wetgevende, te nemen om bestaande wetten, voorschriften, gebruiken en praktijken, die discriminatie van vrouwen inhouden, te wijzigen of in te trekken, onderscheidenlijk af te schaffen.
Het verdrag is als zodanig niet rechtstreeks werkend. Een klachtrecht is dan ook niet geformuleerd.
Het moge duidelijk zijn dat de Nederlandse Antillen, met in haar kielzog [het Bestuurscollege van] het Eilandgebied Curaçao, de voormelde bepalingen en de daarin vervatte verplichtingen grovelijk aan haar laarzen lapt.
Zoals hierboven gesteld levert het handelen in strijd met het door mij gehekelde verbod een strafbaar feit op. Ik ben van oordeel dat in een strafzaak met succes betoogd kan worden dat strafoplegging achterwege dient te blijven nu het in de wettelijke regeling vervatte verbod discriminatoir geacht kan worden en daarmede als zijnde in strijd met een hogere regeling. Voor die hogere regeling kan aansluiting gezocht worden bij de Staatsregeling of bij het EVRM en het BUPO-verdrag.
Recentelijk is bekend geworden dat het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao overweegt om de sluitingstijden van restaurants te verruimen. Door een wetswijziging zou de noodzaak om toestemming te vragen voor een latere sluitingstijd komen te vervallen, terwijl - aldus de gedeputeerde onder wiens portefeuille de sluitingstijd van restaurants valt - het toerisme ook gebaat zou zijn met een ruimere sluitingstijd.
Frappant blijft echter, en hiermee kom ik tot een afronding, dat ter zake de ronduit discriminatoire bepaling aangaande vrouwelijke bediening in het geheel geen wijzigingen zijn voorgesteld.


(1) De Overdrachtslandsverordening XVIII [PB 1975, 131] in werking getreden per 15 april 1977 [PB 1977, 107] verlegde de bevoegdheid van het verlenen van toestemming van het plaatselijk hoofd van politie naar het bestuurscollege. Dat echter onder toevoeging dat het bestuurscollege eerst na het horen van het plaatselijk hoofd van politie - de gezaghebber die van oudsher belast is met het toezicht op de openbare orde - over kon gaan tot het verlenen van de verzochte toestemming.
(2) 1957-1958-44, nummer 4 [Voorlopig Verslag], pag. 12.
(3) 1957-1958-44, nummer 5 [Memorie van Antwoord], pag. 18.
(4) Eerder werd de tekst van de Vergunningverordening - vóór het aanbrengen van wijzigingen bij de verordeningen van 16 juli 1908 [PB 1908, 46] en 28 december 1909 [PB 1908, 76] - afgekondigd in PB 1901, 23.
(5)… of personen beneden de leeftijd van achttien jaar ….
(6) In het wetsontwerp was artikel 24 aanvankelijk opgenomen als artikel 25. Eerst bij de Nota van Wijzigingen [naar aanleiding van het Voorlopig Verslag] werd het artikel omgenummerd. 1947-1948-61 nummer 6 [Nota van Wijzigingen], pag. 6.
(7) 1947-1948-61, nummer 3 [Memorie van Toelichting], pag. 2.
(8) A.B. van Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer, 1999, pag. 139 en supra noot.
(9) A.B. van Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer, 1999, pag. 139

Small Murray Scheper, advocaten
Rozenweg nummer 4
Mahaai, Curaçao
Telefoonnummer: 738 02 80
Fax nummer: 738 02 81
Email: murray@sms-advocaten.com

<< Terug


 
  Algemeen | Ons Team | Praktijk | Publicaties | Nieuws | Links | Algemene Voorwaarden | Contact