| |
 |
 |
| |
PUBLICATIES |
|
 |
|
Wetgever word wakker!
mr Mirto F. Murray
Inleiding
In de geruchtmakende corruptiezaken in de Nederlandse Antillen waarbij diverse politieke kopstukken betrokken waren, heeft de Hoge Raad der Nederlanden op 27 september 2005 arrest gewezen en (in alle zaken) het beroep in cassatie verworpen. Daarmee zijn de vonnissen gewezen op 16 juli 2004 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba onherroepelijk geworden.
Twee van de verdachten in die corruptiezaken betroffen rechtspersonen, te weten een naamloze vennootschap en een stichting. De vennootschap werd verdacht van valsheid in geschrifte en actieve omkoping (van een ambtenaar), terwijl de stichting verdacht werd van valsheid in geschrifte en witwassen.
Vooropgesteld zij dat de Nederlandse Antillen geen strafrechtelijk boetesysteem kent, zoals dat in Nederland geldt sinds de Wet Vermogenssancties [Stb. 1983, 153], maar dat op ieder afzonderlijk strafbaar feit expliciet vermeld staat in hoeverre het opleggen van een geldboete als straf tot de mogelijkheden behoort. De Nederlandse Antillen kennen dan ook geen boetecategorieën; de wetgever heeft - gelijk de oude situatie in Nederland - ten aanzien van ieder afzonderlijk (daarvoor in aanmerking komend) strafbaar feit een maximale boete bepaald.
Ten aanzien van de verweten gedragingen, te weten valsheid in geschrifte en actieve omkoping geldt dat de artikelen 230 respectievelijk 183 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen [Sr] (1) als hoofdstraf slechts een gevangenisstraf kennen van vier jaar respectievelijk twee jaar of een geldboete van NAF 300,-.
In het navolgende laat ik vanwege de zuiverheid van de discussie de veroordeling van de stichting bij het hierboven aangeduide vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba ter zake het (door schuld) witwassen van gelden buiten beschouwing. Op grond van de Landsverordening strafbaarstelling witwassen [PB 1993, 52] is het namelijk mogelijk - naast een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren - een geldboete van ten hoogste NAF 250.000,- als straf op te leggen.
In het navolgende bespreek ik de lacune in onze wetgeving daar waar het de strafoplegging betreft aan rechtspersonen in het algemeen en aan rechtspersonen die zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte en actieve omkoping in het bijzonder. Ik bespreek daarbij eerst de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen en de strafbare feiten in kwestie, vervolgens afzonderlijk het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 22 december 2003, het voormelde vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 16 juli 2004 en (summierlijk) het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad om tot slot mijn opinie te geven.
Het strafrechtelijke arsenaal
Bij de invoering van het (nieuw) Wetboek van Strafvordering [PB 1997, 237] werden enkele wijzigingen in het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen aangebracht, inhoudende - onder meer - de invoering van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen in artikel 53 Sr.
De wetgever meende dat die invoering aanbeveling verdiende vanuit een oogpunt van harmonisatie, ook binnen de rechtsfeer van het Koninkrijk.(2) Sindsdien is het mogelijk om in het strafrecht rechtspersonen ter zake het plegen van strafbare feiten te veroordelen en te bestraffen. De mogelijkheid tot het ‘bestraffen’ blijkt echter af te hangen van het gepleegde delict.
Artikel 183 eerste lid, aanhef en 1° Sr. stelt - voor zover hier van belang - strafbaar degene die ‘een ambtenaar een gift of belofte doet met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten.’ De maximale straf is een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar of een geldboete van NAF 300,-.
Artikel 230 Sr. stelt valsheid in geschrifte strafbaar met maximaal vier jaar gevangenisstraf. Op dit feit staat dus geen strafbedreiging van een geldboete. Artikel 28 Sr. maakt het echter mogelijk om - kort gezegd - op een strafbaar feit waarop geen geldboete als sanctie is gesteld toch een geldboete op te leggen. Over de daarvoor gestelde wettelijke vereisten kom ik in het onderstaande nog te spreken.
Het Gerecht
Het Openbaar Ministerie, requireerde onder verwijzing naar artikel 28 Sr., de oplegging van een geldboete van NAF 40.000,-.
Ter zake de strafbaarstelling of wel de mogelijkheid een hoofdstraf op te leggen overwoog het Gerecht als volgt:
“De officier van justitie heeft zijn vordering tot oplegging van een geldboete mede gestoeld op artikel 28 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.). [...] Artikel 28 Sr. stelt dat een geldboete kan worden opgelegd, indien de rechter -kortweg- afziet van een vrijheidsstraf. Nu is in het verleden wel de opvatting gehuldigd, dat het op grond van deze bepaling onmogelijk is rechtspersonen tot geldboete te veroordelen bij strafbaarheid van delicten waarop slechts vrijheidsstraf is gesteld, aangezien aan een rechtspersoon nu eenmaal geen vrijheidsstraffen kunnen worden opgelegd en de rechter derhalve ook niet kan overwegen dat hij in casu een vrijheidsstraf zou hebben opgelegd (vgl. GEA 14 juli 2000 inzake Continental Milling Company (3)).
Thans is er aanleiding deze (te) beperkte interpretatie niet langer te volgen. Een andere interpretatie is immers mogelijk, en wel zonder te tornen aan het legaliteitsbeginsel. De bedoeling van art. 28 Sr. was destijds bij de invoering in 1930 om te komen tot een minder dwingende toepassing van de vrijheidsstraf en het bieden van meer mogelijkheden om delinquenten te straffen op een meer humane wijze. Bij de invoering van art. 53 Sr. in 1997 was het onmiskenbaar de bedoeling om rechtspersonen te kunnen vervolgen en straffen voor alle strafbare feiten, inclusief feiten waarop door de wet slechts gevangenisstraf is gesteld. Voor het tegendeel bestaat geen enkel aanknopingspunt. Daarbij is er kennelijk vanuit gegaan dat de hier genoemde complicatie zich hier niet zou voordoen.
Het feit dat een rechtspersoon niet tot een vrijheidsstraf kan worden veroordeeld is zo vanzelfsprekend dat dat geen betoog behoeft. Dat wil evenwel niet zeggen, dat een rechter niet zou kunnen overwegen dat, “ware de verdachte een natuurlijk persoon geweest” hij deze tot een vrijheidsstraf zou hebben veroordeeld. Nu er ten tijde van de invoering van de tekst van art. 28 Sr. slechts sprake was van natuurlijke personen, kan deze voorwaarde worden ingelezen.
Een en ander brengt met zich mee dat in casu met toepassing van art. 28 Sr. een geldboete kan worden opgelegd, nu het Gerecht, ware de verdachte een natuurlijk persoon geweest, als hoofdstraf gevangenisstraf van niet meer dan twee jaren zou hebben opgelegd.”
De rechter maakte aldus korte metten met de tot dan heersende leer.(4)
Het Hof
In hoger beroep overwoog het Hof ter zake de strafoplegging aan de naamloze vennootschap als volgt:
“Ten aanzien van feit 2 (artikel 183 Wetboek van Strafrecht) wordt de maximumstraf van NAF 300,- opgelegd. Verhoging wegens samenloop (art. 59 Wetboek van Strafrecht) met feit 1 [artikel 230 Sr. MFM] is niet mogelijk omdat op feit 1 niet een voor een rechtspersoon “gelijksoortige” hoofdstraf, te weten geldboete, is gesteld en dus aan de in gemeld artikel 59 Wetboek van Strafrecht opgenomen voorwaarde van gelijksoortigheid van hoofdstraffen niet is voldaan.
Artikel 28, tweede lid Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing. Dat artikel geeft immers slechts de mogelijkheid tot het opleggen van een geldboete indien de rechter gevangenisstraf van niet meer dan twee jaar of hechtenis zou hebben opgelegd. Aan een rechtspersoon kan echter geen gevangenisstraf worden opgelegd.”.
Het Hof stelde vast dat aan de naamloze vennootschap in verband met het strafbare feit valsheid in geschrifte geen straf kon worden opgelegd en veroordeelde de rechtspersoon met betrekking tot omkoping tot een geldboete van NAF 300,-.
Door de (raadsman van de) stichting werd aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk diende te worden verklaard in zijn vervolging aangezien het - kort gezegd - in strijd is met de beginselen van een goede procesorde om een strafvervolging in te stellen terwijl deze vervolging niet kan leiden tot oplegging van straf.
Het Hof overwoog daaromtrent als volgt:
“Het Hof stelt vast dat met de uitspraak van de Hoge Raad van 18 mei 2004 (LJN-nummer A03562; zaaknr. 02516/03A) vast staat dat terzake van het onder 1 telastegelegde feit [valsheid in geschrifte MFM], indien bewezen, geen straf kan worden opgelegd. Deze vaststelling leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van dat feit. Voor een dergelijke sanctie is slechts aanleiding indien sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn taak is tekortgedaan. Ook bestaat daarvoor aanleiding indien - zelfs wanneer de belangen van de verdachte niet zijn geschaad - sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke strafvervolging waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. Beide situaties doen zich hier niet voor. Daarbij speelt een rol dat de officier van justitie ten tijde van het instellen van de vervolging nog niet op de hoogte kon zijn van het oordeel van de Hoge Raad en er op dat moment wel degelijk een belang kon zijn bij deze vervolging, al was het maar om het oordeel van de rechter te vernemen over de vraag of straf kon worden opgelegd. Dat de rechter daarbij zeker tot de conclusie zou komen dat van strafvervolging geen sprake kon zijn, stond niet bij voorbaat vast. Het vonnis van de eerste rechter is daarvan reeds het bewijs.”
Het Hof oordeelde dat, gelet op het meergenoemde arrest van de Hoge Raad van 18 mei 2004, aan de stichting geen straf kon worden opgelegd. Zoals hierboven gesteld werd de stichting terzake (door schuld) witwassen wel veroordeeld tot een geldboete van NAF 40.000,-.
Hoge Raad
De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie van de beide rechtpersonen op gronden die het onderwerp van dit artikel niet raken (en deels met een beroep op artikel 81 R.O.).
Eerder oordeelde de Hoge Raad in de hierboven aangeduide uitspraak van 18 mei 2004 reeds ambtshalve, aangezien daar merkwaardig genoeg geen cassatiemiddelen tegen waren ontwikkeld, dat met betrekking tot het door een rechtspersoon gepleegde strafbare feit valsheid in geschrifte volstaan diende te worden met de enkele vaststelling dat er geen straf kon worden opgelegd. (5)
Opinie
Terecht merkt het Hof op dat als sanctie tegen een rechtspersoon vanzelfsprekend de vrijheidsstraf niet in aanmerking komt (6).
Het OM vorderde echter, ook in hoger beroep, met een beroep op artikel 28 Sr, de oplegging van een geldboete voor omkoping.
Daarbij zag het echter de voorwaarden over het hoofd die artikel 28 Sr aan het opleggen van een dergelijke boete stelt.
Artikel 28 Sr voorziet weliswaar in een (in casu niet toepasselijke) conversiemogelijkheid van een gevangenisstraf naar een boete; het maximale bedrag van de boete is echter sinds de invoering van de zogenaamde Landsverordening minimumstraffen NAF 30.000,-(7). Dit maximum geldt ook bij meerdaadse samenloop, zodat van een verhoging van de boete van NAF 30.000,- naar de door het OM gevorderde boete geen sprake kan zijn (8). De overweging van het Hof over de ‘gelijksoortigheid’ van de op te leggen hoofdstraffen, is - hoewel zij leidt tot hetzelfde eindresultaat - een overbodige exercitie.
Treffend is dat de (overigens verbazingwekkend summiere) Memorie van Toelichting betreffende de wijziging van artikel 53 Sr (9) met geen woord rept over de vorenstaande problematiek.
De wetgever heeft het strafrechtelijk instrumentarium (vooralsnog) niet uitgerust met een pasklare oplossing. De strekking van het hiervoor geschetste probleem overstijgt die van de strafoplegging in geval van valsheid in geschrift. Het opleggen van een straf aan een rechtspersoon is evenmin mogelijk indien de rechtspersoon schuldig wordt geoordeeld aan bijvoorbeeld deelname aan een criminele organisatie (art. 146 Sr)(10), onttrekking van goederen aan een gelegd beslag (art. 204 Sr), valsemunterij (art. 204 Sr e.v), veroorzaken van dood door schuld (art. 320 Sr), indiening ter verificatie in een faillissement van een valse vordering (art. 357 Sr) en oplichting (art. 339 Sr).
De wetgever heeft helaas geen lering getrokken uit de in Nederland opgedane ervaring rondom exact dezelfde problematiek.
In 1976 voerde Nederland de mogelijkheid in om rechtspersonen tegen door hen begane strafbare feiten te veroordelen. Voordien was dat bij gebreke van een wettelijke grondslag niet mogelijk.
In Nederland is eerst met de invoering van de Wet Vermogenssancties [Stb. 1983, 153], per 1 mei 1983, voorzien in een straffenarsenaal ten behoeve van de rechtspersoon. Algemeen aangenomen werd dat voordien het equivalent van artikel 28 Sr - artikel 24 Sr. Ned. - zich niet leende voor toepassing op de rechtspersoon (11). Verwezen zij allereerst naar de uitspraak van de Rechtbank Roermond van 26 september 1978 [NJ 1979, 114], waarin de Rechtbank - weliswaar kort door de bocht en zonder het expliciet noemen van artikel 24 Sr. Ned. - overwoog dat
“[g]evangenisstraf niet in aanmerking kan komen om te worden uitgesproken tegen een rechtspersoon, waar een gevangenisstraf slechts bij een natuurlijk persoon kan worden tenuitvoergelegd, dat de [...] bewezen geachte feiten strafbaar zijn gesteld bij art. 225 Sr. en uitsluitend zijn bedreigd met gevangenisstraf, dat op grond daarvan de bewezen geachte feiten, nu deze begaan zijn door een rechtspersoon, niet met een straf bedreigd zijn en derhalve geen strafbare feiten zijn”.
De Rechtbank oordeelde dat de verdachte rechtspersoon diende te worden ontslagen van rechtsvervolging.
In de literatuur is dit standpunt onderschreven in ieder geval voor zover het betreft de onmogelijkheid een straf op te leggen. Van Bemmelen signaleerde een leemte in de wet en maande de Nederlandse wetgever aan “indien [deze] ernst wil maken met de mogelijkheid van strafvervolging en bestraffing van rechtspersonen [om] vooral voor bedrogsdelicten en gewoonteheling in artikel 24 Strafrecht een aanvullende regeling te treffen”. (12)
Verwezen zij voorts naar Strijards (13) en naar J. Remmelink. Laatstgenoemde stelt dat “het van belang is op te merken dat een rechtspersoon, die een commune misdrijf heeft begaan, in een tamelijk gunstige positie verkeert, omdat het arsenaal van straffen en maatregelen momenteel nog beperkt is. [...] Art. 24 Sr helpt niet, aangezien dit alleen geschreven is voor de gevallen, waarin de rechter oordeelt, dat hij een gevangenisstraf zou hebben willen opleggen, hetgeen de rechter i.c. dus niet kan”(14).
Dan is er nog het wetgevingstraject bij de invoering van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon in Nederland. Reeds bij de invoering van die aansprakelijkheid per 1 september 1976 werd voorzien dat het niet mogelijk was de rechtspersoon te bestraffen voor delicten waarop slechts een gevangenisstraf stond. In de Eerste Kamer werd daaromtrent door de senator Piket opgemerkt dat “[i]n afwachting van de hernieuwing van de vermogenssancties de wet voorlopig een tandeloze leeuw blijft, nu artikel 24 niet toegepast kan worden”(15). Geheel in stijl antwoordde minister van Justitie Dries van Agt dat “[b]ij de huidige stand van de wetgeving de nieuwe voorziening inderdaad geen betekenis heeft voor de gevallen, waarin op het delict alleen een vrijheidsstraf en geen geldboete staat. De leeuw heeft wel tanden, maar niet genoeg tanden”.(16)
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de strafbedreiging op omkoping van een ambtenaar. Dat er van de op te leggen maximale boete ad NAF 300,- nauwelijks enige afschrikwekkende werking uitgaat, behoeft geen nadere toelichting.
Afrondend
In de Nederlandse Antillen is het, ondanks het hierboven geschetste gang van zaken in Nederland, vooralsnog niet mogelijk om een rechtspersoon die strafbaar is geoordeeld wegens het plegen van valsheid in geschrifte te bestraffen en is het ten aanzien van een rechtspersoon die zich schuldig heeft gemaakt aan omkoping van een ambtenaar niet mogelijk een hogere geldboete dan NAF 300,- op te leggen.
Ik meen in de uitspraak van het Hof te kunnen lezen dat in de toekomst anders geoordeeld zou kunnen worden over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Verdedigd zou kunnen worden dat ten aanzien van strafvervolgingen die een aanvang hebben genomen ná de uitspraak van de Hoge Raad van 18 mei 2004 en het hofvonnis van 16 juli 2004 wel onomstotelijk vast staat dat oplegging van een straf aan een rechtspersoon ter zake valsheid in geschrifte niet mogelijk is. Het laatste woord hierover is nog niet gesproken.
Dat het strafrechtelijke instrumentarium onvoldoende is berekend op het straffen van rechtspersonen is, gegeven het vorenstaande, een onmiskenbaar feit.
Het wordt dan ook de hoogste tijd dat de wetgever wakker wordt en de strafwet aanpast!
(1)Tenzij anders aangegeven wordt met ‘Wetboek van Strafrecht’ of de afkorting ‘Sr.’ telkens geduid op het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.
(2) MvT op PB 1997, no. 237, Invoeringslandsverordening Wetboek van Strafvordering, pag. 21. Zie ook: T.M. Schalken en S.W. Mul, Het nieuwe Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba (1997), Bronnenpublicatie, Deel I: Parlementaire stukken, Gouda Quint, Deventer, 1997, pag. 309.
(3) De auteur van dit artikel trad in bedoelde procedure [in eerste aanleg en in hoger beroep] op als raadsman van de vennootschap, de eerste rechtspersoon die na de invoering van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen in 1997 terechtstond. In een - overigens in hoger beroep niet (expliciet) overgenomen - obiter dictum overwoog het Gerecht, dat de verdachte vrijsprak, dat bij een bewezenverklaring het niet mogelijk zou zijn geweest een straf op te leggen daar artikel 28 Sr. toepassing zou missen.
(4) Door de auteur van dit artikel en passant genoemd in: R. Lamp, M.F. Murray & G. Spong, De Nederlandse raadsman in de Nederlandse Antillen, in: T. Prakken en T. Spronken (red.), Handboek Verdediging, Kluwer, Deventer, 2003, pag. 960.
(5) LJN-nummer A03562; zaaknr. 02516/03A.
(6) Vgl. R.A. Torringa, Strafbaarheid van rechtspersonen, Gouda Quint B.V., 1984, pag. 71 en J.M. van Bemmelen, Ons strafrecht, Het materiele strafrecht, algemeen deel, achtste druk, Samsom H.D. Tjeenk Willink, 1984, pag. 265.
(7) P.B. 2000, 28, in werking getreden per 1 april 2001 [P.B. 2000, 31].
(8) Zie: Torringa, a.w., pag. 72 en voor een gelijkluidende visie: De Doelder en ’t Hart, De strafbaarheid van rechtspersonen voor feiten begaan door een rechtspersoon, DD 1983, pag. 43.
(9) MvT op PB 1997, no. 237, Invoeringslandsverordening Wetboek van Strafvordering, pag. 21 - 23.
(10) HR 18 mei 2004 LJN-nummer A03562; zaaknr. 02516/03A.
(11) Torringa, a.w., pag. 72.
(12) J.M. van Bemmelen, Geldboete voor rechtspersonen ter zake van artikel 225 Strafrecht, NJB 1979 afl. 17, pag. 351.
(13) AA (1983), pag. 511 - 519, i.h.b. pag. 519 supra noot 34 l.k. Op zijn beurt verwijst Strijards naar H. de Doelder en A.C. ’t Hart, De strafbaarheid van rechtspersonen voor feiten begaan door een rechtspersoon, DD 1983, pag. 41 e.v. i.h.b. pag. 43 en de reactie daarop van A.J.A. van Dorst in DD 1983, pag. 276-283.
(14) Mr Hazewinkel-Suringa, Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, bewerkt door J. Remmelink, Samson Tjeenk Willink, Alphen aan de Rijn, achtste druk, pag. 112. Na de invoering van de Wet vermogenssancties 1983 werd hier nog eens naar verwezen in de negende druk [1984] op pag. 129.
(15) Handelingen Eerste Kamer [1975-1976], 22 mei 1976, pag. 1227.
(16) Idem noot 16.
Small Murray Scheper, advocaten
Rozenweg nummer 4
Mahaai, Curaçao
Telefoonnummer: 738 02 80
Fax nummer: 738 02 81
Email: murray@sms-advocaten.com<< Terug |
|
 |
 |
 |
|
|